InfoNu.nl > Auto en Vervoer > Verkeer > Theorie voor het rijbewijs - 125 vragen

Theorie voor het rijbewijs - 125 vragen

Theorie voor het rijbewijs - 125 vragen 125 vragen voor je verkeerstheorie en het rijexamen! Voor het behalen van je theorie voor het rijbewijs moet je een goede kennis van de verkeersregels en de verkeerstekens hebben. Daarnaast wordt er van je verlangd dat je verkeersinzicht hebt en voldoende kennis met betrekking tot de gevaarherkenning. Wat is het verschil tussen een bestuurder of weggebruiker? Wanneer geef je voorrang of laat je voor gaan? Waar mag je parkeren of stilstaan? Welke regels volg je op de autoweg of autosnelweg en welke verlichting voer je waar en wanneer? Dit en meer onderwerpen komen aan de orde om je te helpen het theorie-examen bij het CBR met een positief resultaat af te ronden.

Verkeerstheorie - Wegenverkeerswet 1994 en het RVV 1990

De verkeersregels en de verkeersborden of verkeerstekens waarmee we dagelijks in het verkeer te maken krijgen zijn gebaseerd op het RVV, als onderdeel van de Wegenverkeerswet 1994. Ook het CBR baseert haar vraagstelling op deze artikelen en regels, zij het dat het CBR de vragen ondersteunt met foto's en afbeeldingen. De testen zijn niet bedoeld als vervanging van je theorieboek maar als aanvulling. De theorie-vragen in de test volgen in grote lijnen de indeling van de brochure "Verkeersborden en Verkeersregels in Nederland" van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat..

Honderd-en-vijfentwintig vragen voor je verkeers-theorie

De 125 vragen zijn bedoeld om je theoretische kennis te testen of gewoon voor de aardigheid. De vragen zijn gebaseerd op de theoretische kennis die benodigd is voor het behalen van theorie-examen voor het rijbewijs-B (auto), maar zijn ook van nut voor het behalen van de theorie voor de AM rijbewijzen (snorfiets, bromfiets, brommobiel). Kies bij iedere vraag het juiste of meest logische antwoord en schrijf vervolgens een A, B of een C op voor het antwoord, waarvan jij denkt dat het juist is. Na ieder blok kun je de antwoorden controleren en vind je zo nodig de motivatie van de antwoorden.

Om een aantal vragen goed te kunnen beantwoorden, is onder andere de kennis van de definities van belang. De geldt bijvoorbeeld bij het onderscheid tussen bestuurders, verkeer en weggebruikers, of het type voertuig waarvoor een verbod of gebod geldt, of hier van zijn uitgezonderd.

Indeling van de 125 theorie vragen

Voor een beter overzicht en een makkelijkere controle zijn de 125 vragen en antwoorden opgesplitst in blokken, zoals in de tabel weergegeven.

Benader de vragen -tenzij anders aangegeven- alsof je een bestuurder van een motorvoertuig of lesauto bent.

Vraag 01 t/m 20Vragen theorie: o.a. soort weggebruiker, plaats op de weg en inhalen
Vraag 01 Voorrang verleen je aan alle weggebruikers
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 02 Voor laten gaan geldt tussen bestuurders onderling:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 03 Als je met een gehandicaptenvoertuig op het trottoir rijdt, volg je de regels van :
  • A. Bestuurders.
  • B. Voetgangers.
Vraag 04 Als je met de motorfiets aan de hand loopt ben je een:
  • A. Bestuurder.
  • B. Voetganger.
Vraag 05 Een groep voetgangers die op de rijbaan lopen en een colonne vormen, volgen de regels van:
  • A. Voetgangers.
  • B. Bestuurders van wagens.
Vraag 06 Een bestuurder van een brommobiel volgt over het algemeen de regels van motorvoertuigen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 07 Snorfietsers mogen –net als fietsers- met zijn tweeën naast elkaar rijden zolang zij het overige verkeer niet hinderen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 08 Voetgangers mogen altijd overal op de weg lopen. Zij mogen kiezen tussen de rijbaan, de berm of het trottoir
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 09 Fietsers moeten het verplichte fiets-/bromfietspad gebruiken als dat aanwezig is:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 10 Fietsers, snorfietsers en bromfietsers mogen het onverplichte fietspad gebruiken:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 11 Bestuurders van gehandicaptenvoertuigen mogen binnen de bebouwde kom het trottoir, voetpad, fietspad, fiets-/bromfietspad of de rijbaan gebruiken:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 12 Fietsers en bromfietsers op meer dan twee wielen of met een aanhangwagen mogen de rijbaan -in plaats van het fiets-/bromfietspad- gebruiken als ze breder zijn dan:
  • A. 1 meter.
  • B. 0.75 meter.
Vraag 13 Als er een ruiterpad aanwezig is, hebben ruiters de keuze tussen het gebruik van de rijbaan of het ruiterpad
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 14 Je mag met de auto in de berm parkeren als verkeerstekens dit niet anders regelen:
  • A, Ja.
  • B. Nee.
Vraag 15 Met een bromfiets mag je op een fietsstrook met doorgetrokken streep rijden:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 16 Als het veilig kan en er voldoende ruimte is mag een bestuurder van een personenauto ook rechts inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 17 Een bestuurder sorteert links voor en geeft dit aan met de richtingaanwijzer. Je mag nu rechts inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 18 Een fietser mag alle bestuurders -behalve fietsers- rechts inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 19 Trams mag je zowel rechts als links inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 20 Vlak vóór of op een voetgangersoversteekplaats (of VOP of zebra) mag je een fiets inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.

Bij de antwoorden zijn de belangrijke verkeersborden betreffende het onderwerp aangehaald.
Antwoorden en motivatie vraag 01 tot en met vraag 20
Vraag 01
B. Voorrang is geregeld tussen bestuurders onderling. Een voetganger maakt wel onderdeel uit van het verkeer, is ook weggebruiker, maar géén bestuurder.
Belangrijke verkeersborden: voorrang: B1 tot en met B7
Vraag 02
B. Voor laten gaan betreft een situatie tussen bestuurders ten opzichte van alle weggebruikers. Alle weggebruikers is inclusief de voetganger.
Vraag 03
B. Met een gehandicaptenvoertuig mag je kiezen waar je rijdt. Rijd je op de weg, dan moet je de regels van bestuurders volgen en mag je maximaal 45 km/u rijden. Rijd je op de stoep, het trottoir of op een voetpad, dan mag je slechts 6 km/u rijden en moet je de regels van voetgangers volgen.
Vraag 04
B. Lopend met een motor aan de hand ben je een voetganger en gelden -indien nodig- de regels van 'voorrang verlenen' niet. De regels van 'voor laten gaan' eventueel wel.
Vraag 05
B. Als voetgangers een colonne, optocht of uitvaartstoet vormen en op de rijbaan lopen, dan moeten zij zich gedragen alsof zij een bestuurder van een wagen zijn.
Vraag 06
A. Bestuurders van brommobielen volgen bijna altijd de regels van motorvoertuigen (behalve Autoweg en Autosnelweg – en bij verkeersbord C9).
Belangrijk verkeersbord: C9
Vraag 07
B. Snorfietsers mogen niet met zijn tweeën naast elkaar rijden, fietsers wel. In alle gevallen geldt dat je het overige verkeer niet onnodig in gevaar mag brengen of mag hinderen.
Vraag 08
B. Voetgangers gebruiken het trottoir, voetpad of fiets-/bromfietspad. Zijn deze voorzieningen er niet, dan mogen zij in de berm of op de uiterste zijde van de rijbaan lopen. Met uitzondering van de berm gelden dezelfde regels voor skaters.
Belangrijke verkeersborden: G11 tot en met G14
Vraag 09
A. Is er géén fiets-/bromfietspad, dan mogen fietsers de rijbaan gebruiken.
Belangrijk verkeersborden: G11 tot en met G12b
Vraag 10
B. Bromfietsers mogen het onverplichte fietspad niet gebruiken, Snorfietsers alleen met een uitgeschakelde motor.
Belangrijk verkeersbord: G13 en G14
Vraag 11
A. Bestuurders van gehandicaptenvoertuigen mogen bijna overal rijden, maar als zij het trottoir of voetpad gebruiken, volgen zij de regels van voetgangers, op de rijbaan de regels van bestuurders.
Belangrijke verkeersborden: G7, G8 en G11 tot en met G12b
Vraag 12
B. Bij een grotere breedte dan 0.75 meter mogen fietsers en bromfietsers op meer dan twee wielen op de rijbaan rijden. Als er een verplicht fietspad of fiets-/bromfiets is mag men hier wel op rijden, maar dit hoeft dus niet.
Belangrijke verkeersborden: G11 tot en met G12b
Vraag 13
B. Als er een ruiterpad is moeten ruiters dit gebruiken. Is er géén ruiterpad, dan moeten zij de berm of de rijbaan gebruiken.
Belangrijke verkeersborden: G9 en G10
Vraag 14
A. Parkeren in de berm mag als er géén verkeerstekens zijn die parkeren verbieden of beperken. Parkeren op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets-/bromfietspad en ruiterpad is altijd verboden.
Belangrijke verkeersborden: E1 en E2, plus onderbroken gele of doorgetrokken gele belijning aan de rechterzijde van de weg / trottoirband
Vraag 15
B. Een bromfiets mag wel op de rijbaan of op het fiets-/bromfietspad rijden, niet op een fietsstrook. Een fietsstrook is herkenbaar door de afbeelding van een fiets op de strook/het wegdek.
Vraag 16
B. Er zijn enkele uitzonderingen maar de algemene regel is: 'inhalen geschiedt links'.
Vraag 17
A. Dit is één uitzondering op de regel "inhalen geschiedt links". Als er voldoende ruimte is én dit veilig kan, mag je als een bestuurder links rijdt of staat opgesteld om af te slaan, rechts inhalen. Meestal zal voorsorteren links tegen de wegas plaatsvinden, maar bij een straat met éénrichtingsverkeer mag dit ook geheel links. (denk aan onderborden met fietsers, snorfietsers e.d. voor wie inrijden vanaf de andere zijde wel kan zijn toegestaan)
Belangrijke verkeersborden: C2, C3 en C4
Vraag 18
A. Fietsers moeten elkaar links inhalen. Alle andere bestuurders mogen zij ook rechts inhalen.
Vraag 19
A. Een tram is nog een uitzondering op de regel van inhalen en mag je zowel rechts als links inhalen. In de praktijk zal rechts inhalen logischer en veiliger zijn. Let wel goed op instappen en uitstappen van passagiers op of bij een tramhalte.
Belangrijke verkeersborden: J14, L3 en L3a
Vraag 20
B. Het is verboden vlak vóór of op een voetgangersoversteekplaats een ander voertuig in te halen.
Belangrijke verkeersborden: J21 tot en met J23 en L2
.

Vraag 21 t/m 40Vragen theorie: o.a. inhalen, voorbij gaan, voorrang, afslaan, maximum snelheid
Vraag 21 Een rijbaan is verdeeld in één of meer rijstroken:
  • A. Ja.
  • B. Nee
Vraag 22 Bij file rijden mag je wel een andere dan de meest rechts gelegen rijstrook gebruiken als er meerdere rijstroken zijn:
  • A. Ja.
  • B. Nee;
Vraag 23 Files moet je links inhalen/voorbij rijden
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 24 Het niet mogen blokkeren van kruispunten geldt voor:
  • A. Weggebruikers
  • B. Bestuurders
Vraag 25 Voorrang verlenen aan bestuurders van rechts geldt voor:
  • A. Alle bestuurders.
  • B. Alle verkeer.
Vraag 26 Bij het in- of uitrijden van een uitrit (bijzondere manoeuvre) moet je voor laten gaan:
  • A. Alle bestuurders.
  • B. Alle weggebruikers.
Vraag 27 Wie mogen een trein- of tram-overweg pas overgaan als deze vrij is en zij deze direct over kunnen gaan en vrij kunnen maken:
  • A. Weggebruikers.
  • B. Bestuurders.
Vraag 28 Wie mogen een militaire colonne niet doorsnijden:
  • A. Al het verkeer/weggebruikers.
  • B. Bestuurders
Vraag 29 Een rouwstoet van motorvoertuigen mag niet doorsneden worden op:
  • A. Alle kruispunten.
  • B. Gelijkwaardige kruispunten.
Vraag 30 Als je voorsorteert bij afslaan moet dit altijd zoveel mogelijk naar rechts of links:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 31 Als je afslaat of een belangrijke zijdelingse verplaatsing maakt, geef je altijd richting aan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 32 Moet je een rechtdoor rijdende tegenligger op dezelfde weg voor laten gaan als jij afslaat:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 33 Korte bocht gaat voor lange bocht betekent:
  • A. De rechtsaf slaande bestuurder laat de tegemoet komende linksaf slaande bestuurder op dezelfde weg voor gaan.
  • B. De linksaf slaande bestuurder laat de tegemoet komende rechtsaf slaande bestuurder op dezelfde weg voor gaan.
Vraag 34 Korte bocht gaat voor lange bocht geldt ook voor de bestuurders van een tram:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 35 Bestuurders moeten hun snelheid altijd aanpassen aan de omstandigheden. Met andere woorden:
  • A. Een bestuurder houdt zich aan de op verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
  • B. Een bestuurder moet altijd kunnen stoppen binnen de afstand waarover de weg vrij is en hij de weg kan overzien
Vraag 36 Bij binnen rijden van de bebouwde kom is de maximumsnelheid voor motorvoertuigen:
  • A. 60 km/u.
  • B. 50 km/u.
Vraag 37 Vanaf het bord “einde bebouwde kom” is de maximumsnelheid van een motorvoertuig:
  • A. 80 km/u.
  • B. 60 km/u.
Vraag 38 Een bromfiets, gehandicaptenvoertuig en brommobiel op de rijbaan mogen maximaal km/u:
  • A. 50 buiten de bebouwde kom.
  • B. 45 zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Vraag 39 Binnen de bebouwde kom rijdt een bromfiets of gehandicaptenvoertuig met motor op het fiets-/bromfietspad maximaal
  • A. 30 km/u.
  • B. 45 km/u.
Vraag 40 De maximumsnelheid voor bromfietsen op het fiets-/bromfietspad is buiten de bebouwde kom:
  • A. 45 km/u.
  • B. 40 km/u.

Antwoorden en motivatie vraag 21 tot en met vraag 40
Vraag 21
A. Onthoud deze termen omdat deze geregeld terug komen. Bij een autosnelweg bijvoorbeeld gaat het om de (doorgaande) rijbaan die onderverdeeld is in rijstroken.
Belangrijke verkeersborden: L4 tot en met L7
Vraag 22
A. Bestuurders zijn verplicht zo veel mogelijk rechts te rijden (plaats op de weg is rechts). Bij file rijden hoeft dit niet en mag je een andere -dan de meest rechter- rijstrook kiezen.
Vraag 23
B. Een (langzaam rijdende) file mag je wel rechts inhalen/voorbij gaan. Let extra op rijstrookwisselingen (onrust) van andere bestuurders en op motoren die stapvoets tussen de verkeersstromen mogen rijden/inhalen.
Vraag 24
B. Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren. Dit betekent dat je als bestuurder een kruispunt niet mag oprijden als je vermoedt dat de doorstroming op het kruispunt stagneert.
Vraag 25
A. Op (gelijkwaardige) kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan bestuurders van rechts. Uitzonderingen:
  • Bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde wegen.
  • Bestuurders moeten een tram voorrang verlenen, tenzij dit door verkeerslichten anders geregeld wordt, of door de
  • Verkeersborden B1 en B3 tot en met B6
Vraag 26
B. Bij het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre -wat het inrijden en uitrijden van een uitrit is- moet je alle weggebruikers vóór laten gaan. Dus alle bestuurders én voetgangers.
Vraag 27
A. Weggebruikers (bestuurders én voetgangers) mogen een overweg opgaan, als zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel vrij kunnen maken.
Belangrijke verkeersborden/verkeerstekens: J10 tot en met J14
Vraag 28
A. Voor al het verkeer = alle weggebruikers geldt dan zij militaire colonnes niet mogen doorsnijden. (zie ook uitleg militaire colonne onder het artikel)
Vraag 29
B. Het doorsnijden bij rouwstoeten geldt alleen op gelijkwaardige kruispunten, dit in tegenstelling tot het doorsnijden van militaire colonnes (zie uitleg )
Vraag 30
A. Voorsorteren hoeft -als er géén voorsorteervakken zijn- niet maar mag wel (is vaak beter voor de doorstroming) Als je voorsorteert, dan doe je dit naar rechts zoveel mogelijk rechts en voor links zoveel mogelijk tegen de wegas óf bij een weg met éénrichtingsverkeer zoveel mogelijk links rijdend (let op onderborden bij een weg met éénrichtingsverkeer….uitgezonderd!)
Belangrijke verkeersborden: C1 tot en met C5
Vraag 31
A. Bestuurders moeten vóórdat zij (kunnen) afslaan richting aangeven met de richtingaanwijzer of arm.
Vraag 32
A. Hier geldt de regel “rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor” (het door een bestuurder voor laten gaan geldt dus voor bestuurders én voetgangers).
Vraag 33
B. Bestuurders die linksaf slaan moeten tegemoet komende bestuurders op dezelfde weg, die rechts af willen slaan, voor laten gaan. Dus...”korte bocht gaat voor lange bocht”.
Vraag 34
B. De regels van vraag 3 en 4 gelden over het algemeen niet voor bestuurders van een tram. De tram gaat altijd vóór, tenzij dit door verkeersborden of verkeerslichten anders geregeld is. (uitzondering is een voetganger die oversteekt op een VOP).
Belangrijke verkeersborden: B1 tot en met B7, J14, L13a én verkeerslichten
Vraag 35
B. Een bestuurder moet altijd kunnen stoppen binnen de afstand waarover de weg vrij is en hij de weg kan overzien. Dit betekent dat je je volgafstand en je snelheid aan moet passen aan de (wisselende) omstandigheden, zodat dit mogelijk is.
Vraag 36
B. Voor motorvoertuigen geldt binnen de bebouwde een maximumsnelheid van 50 km/u.
Belangrijke verkeersborden: H1 en H2 (A1 kan, maar hoeft niet – 50 is standaardregel)
Vraag 37
A. Standaard geldt bij verlaten van de bebouwde kom voor motorvoertuigen een maximumsnelheid van 80 km/u.
Belangrijke verkeersborden: H1 en H2
Vraag 38
B. De maximum toegestane snelheid voor genoemde voertuigen is op de rijbaan- zowel binnen als buiten de bebouwde kom- 45 km/u.
Belangrijke verkeersborden: H1 en H2
Vraag 39
A. Voor genoemde voertuigen is de maximum toegestane snelheid -binnen de bebouwde kom- op het het fiets-/bromfietspad 30 km/u
Belangrijke verkeersborden: G12a, G12b en H1
Vraag 40
B. Buiten de bebouwde kom is de maximum toegestane snelheid voor bromfietsers en gehandicaptenvoertuigen met motor rijdend op het fiets-/bromfietspad 40 km/u. Bij rijden op de rijbaan geldt een maximum toegestane snelheid van 45 km/u.
Belangrijke verkeersborden: C9, G12a, G12b en H2

Vraag 41 /tm 60Vragen theorie: o.a. maximumsnelheid, parkeren, stilstaan
Vraag 41 Rijdend op het trottoir of voetpad is de maximum toegestane snelheid voor een gehandicaptenvoertuig
  • A. 6 km/u
  • B. 12 km/u
Vraag 42 De maximum toegestane snelheid is voor vrachtauto’s op autowegen én autosnelwegen
  • A. 100 km/u.
  • B. 80 km/u.
Vraag 43 Met personenauto plus lichte aanhangwagen (750 kg.) mag je op de autosnelweg maximaal 100 km/u rijden:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 44 De maximum toegestane snelheid op een autoweg binnen de bebouwde kom is:
  • A. 50 km/u
  • B. 70 km/u
Vraag 45 Een combinatie met een aanhangwagen, zwaarder dan 3500 kg. mag op de autoweg maximaal:
  • A. 90 km/u.
  • B. 80 km/u.
Vraag 46 Mag je met een voertuig (vrijwillig) stilstaan op een kruispunt of overweg:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 47 Op de rijbaan langs een fietsstrook mag je even kort stoppen om een passagier in laten stappen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 48 Binnen hoeveel meter vóór of na een VOP mag je niet stoppen of parkeren
  • A. Binnen een afstand van 5 meter.
  • B. Binnen een afstand van 3 meter.
Vraag 49 Waar geldt een stopverbod, oftewel een verbod stil te staan:
  • A. Onder een viaduct
  • B. In een tunnel
  • C. A en B
Vraag 50 Je mag niet stilstaan bij een:
  • A. Onderbroken gele streep.
  • B. Een doorgetrokken gele streep.
Vraag 51 Op de rijbaan langs een busstrook mag je niet:
  • A. Parkeren
  • B. Stilstaan
  • C. A en B
Vraag 52 Bij een bushalte mag je binnen een afstand van 12 meter rondom de halte:
  • A. Stilstaan voor het onmiddellijk in- en uit laten stappen van passagiers.
  • B. Stilstaan om even de weg te vragen.
  • C. A en B.
Vraag 53 Op vier meter vanaf een kruispunt mag je de auto parkeren:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 54 Voor de uitrit van je eigen woning mag je parkeren:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 55 Op de rijbaan van een voorrangsweg mag je wel parkeren:
  • A. Binnen de bebouwde kom.
  • B. Buiten de bebouwde kom.
  • C. A en B.
Vraag 56 Binnen een erf mag je overal op de rijbaan parkeren:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 57 Langs een onderbroken gele streep mag je:
  • A. Kort parkeren.
  • B. Stilstaan.
Vraag 58 Bij een blauwe doorgetrokken streep moet je een parkeerschijf gebruiken:
A. Ja.
B. Nee.
Vraag 59 Een gehandicaptenparkeerplaats mag alleen gebruikt worden door:
  • A. Een gehandicaptenvoertuig.
  • B. Een motorvoertuig op meer dan twee wielen met geldige gehandicaptenparkeerkaart.
  • C. A plus B.
Vraag 60 Een laad- of loshaven is alleen bestemd voor bestelbusjes en vrachtauto’s:
  • A. Ja
  • B. Nee

Antwoorden en motivatie vraag 41 t/m 60
Vraag 41
A. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom mogen gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir of voetpad niet sneller rijden dan 6 km/u
Belangrijke verkeersborden: G7, G8, H1 en H2
Vraag 42
B. De maximum toegestane snelheid voor vrachtauto’s op autowegen en autosnelwegen is 80 km/u. Dit geldt ook voor kampeerauto’s die afgeleid zijn van vrachtauto’s en meer dan 3500 kg. wegen en voor autobussen. (behalve T-100 autobussen, die maximaal 100 km/u mogen rijden)
Belangrijke verkeersborden: G1 tot en met G4
Vraag 43
B. Personenauto’s, bestelauto’s, T-100 autobussen en motorfietsen met een aanhangwagen lichter dan 3501 kg. mogen op een autoweg of autosnelweg niet harder rijden dan 90 km/u
Belangrijke verkeersborden: G1 tot en met G4
Vraag 44
A. Op een autoweg binnen de bebouwde kom is de maximum toegestane snelheid 50 km/u, tenzij anders wordt aangegeven.
Belangrijke verkeersborden: G3, G4, H1 en H2
Vraag 45
B. Zowel op autowegen als autosnelwegen is de maximum toegestane snelheid voor personenauto’s en bestelauto’s met een aanhanger zwaarder dan 3500 kg. 80 km/u
Belangrijke verkeersborden: G1 tot en met G4
Vraag 46
B. Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren. Weggebruikers mogen een overweg alleen opgaan, als zij direct doorlopen of doorrijden en de overweg geheel kunnen vrij maken.
Belangrijke verkeersborden: J10 tot en met J14
Vraag 47
B. Op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook geldt een stopverbod. Besef dat een fietser doorgaans rechts inhaalt; een openslaande autodeur zou gevaar kunnen opleveren.
Vraag 48
A. Op een oversteekplaats (elke soort, dus niet alleen een VOP of zebra) mag je binnen een afstand van 5 meter vóór of na de oversteekplaats (VOP) niet stilstaan of parkeren.
Belangrijke verkeersborden: J21 tot en met J24 en L2
Vraag 49
B. Een bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan in een tunnel. Onder een viaduct mag tenzij anders aangegeven wel, maar houd dan rekening met het zicht dat andere bestuurders op het voertuig hebben. (licht, weersomstandigheden).
Belangrijk verkeersbord: L13
Vraag 50
B. Stilstaan is verboden bij een doorgetrokken gele streep; bij een onderbroken gele streep mag je bijvoorbeeld stoppen voor het onmiddellijk in- en uit laten stappen van passagiers en het direct laden en lossen van goederen.
Vraag 51
C. Op de rijbaan langs een busstrook mag je niet stilstaan, dus automatisch ook niet parkeren.
Vraag 52
A. Binnen een afstand van 12 meter (totaal 24 meter) van een bushalte mag je alleen stil staan voor het onmiddellijk in- of uit laten stappen van passagiers.
Belangrijke verkeersborden: L3
Vraag 53
B. Binnen een afstand van 5 meter mag je een voertuig niet parkeren. Dit geldt dus ook T- en Y-splitsingen.
Vraag 54
B. Voor een inrit of een uitrit mag je niet parkeren. Hierbij geldt dat je ook je eigen uitrit vrij moet laten.
Vraag 55
A. Tenzij anders aangegeven door verkeersborden, mag je binnen de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg parkeren. Buiten de bebouwde kom eventueel in de berm, maar niet op de rijbaan.
Belangrijke verkeersborden: B1, B2, H1 en H2
Vraag 56
B. Binnen een erf mogen bestuurders van een motorvoertuig hun voertuig alleen parkeren op aangeduide of aangegeven parkeerplaatsen.
Belangrijke verkeersborden: G5 en G6
Vraag 57
B. Langs een onderbroken gele streep mag je alleen stilstaan, langs een doorgetrokken gele streep zelfs niet stoppen. Uitzondering bij een onderbroken gele streep: gehandicaptenvoertuigen met een duidelijk aangebrachte invalidenparkeerkaart voor een periode van maximaal drie uur.
Vraag 58
A. De parkeerschijf moet duidelijk achter de voorruit geplaatst worden. De begintijd moet worden aangegeven en de maximale parkeertijd (staat op het zone-bord) mag niet worden overschreden.
Belangrijke verkeersborden: E4, E6, E10 en E11
Vraag 59
B. Bij het parkeren van het motorvoertuig op meer dan twee wielen geldt wel dat het vervoer direct verband houdt met het vervoer van de gehandicapte.
Belangrijk verkeersbord: E6
Vraag 60
B. De gelegenheid tot laden en lossen geldt voor alle voertuigen. Je moet dan wel denken aan goederen van enige omvang.
Belangrijk verkeersbord: E7

Vraag 61 t/m 80Vragen theorie: o.a. geven van signalen, verlichting, autowegen, autosnelwegen
Vraag 61 Het geven van een signaal bij gevaar geldt voor:
  • A. Alle bestuurders.
  • B. Bestuurders van motorvoertuigen.
Vraag 62 Het mogen voeren van blauw zwaailicht en een tweetonige hoorn geldt voor:
  • A. Alle hulp- en takeldiensten.
  • B. Voorrangsvoertuigen.
Vraag 63 De herkenningstekens van een uitvaartstoet of begrafenisstoet bestaan uit:
  • A. Een officiële vlag.
  • B. Ontstoken verlichting.
Vraag 64 Op gemotoriseerde voertuigen moet minimaal dimlicht en achterlicht gevoerd worden bij:
  • A. Donker en nacht.
  • B. Bij slecht zicht overdag en bij nacht.
Vraag 65 Als in vraag 64 omschreven, heeft men ook de keuze tussen achterlicht en:
  • A. Dimlicht.
  • B. Stadslicht.
  • C. Grootlicht.
Vraag 66 Groot licht mag je - bij slechte weersomstandigheden- overdag voeren:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 67 Bij hevige regenval, met een zicht minder dan 50 meter, voer je op een motorvoertuig:
  • A. Wel mistachterlicht.
  • B. Geen mistachterlicht.
Vraag 68 Gelijktijdig met de verlichting aan de voorzijde, moet de verlichting aan de achterzijde en de kentekenplaatverlichting branden (met uitzondering van dagrijlichten):
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 69 Stadslicht wordt alleen binnen de bebouwde kom gevoerd:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 70 Colonnes van voetgangers, ruiters en geleiders van trekdieren moeten ook voor- en achterlicht voeren:
  • A. Ja, bij slecht zicht overdag en bij nacht.
  • B. Nee, want zij hebben geen dynamo of accu.
Vraag 71 Groeten van bekende tegenliggers door middel van een lichtsignaal of claxon mag:
  • A. Ja
  • B. Nee
Vraag 72 Bij stilstaan op de rijbaan buiten de bebouwde kom voeren motorvoertuigen op méér dan twee wielen bij slecht zicht en bij nacht:
  • A. Geen licht.
  • B. Minimaal stadslicht/parkeerlicht en achterlicht.
Vraag 73 Op personenauto’s mag –bij particulier gebruik- een verlicht transparant worden gevoerd:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 74 Op autowegen is er geen kruisend verkeer te verwachten, op autosnelwegen wel:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 75 Gebruik van autosnelwegen is alleen bedoeld voor voertuigen die harder kunnen rijden dan 60 km per uur:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 76 Naast/aan de autosnelweg gelegen tankstations en parkeerplaatsen behoren ook tot de autosnelweg:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 77 De minimum toegestane snelheid op een autosnelweg is 60 km per uur:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 78 Matrixborden boven de autosnelweg geven de adviessnelheid aan bij stremming op de autosnelweg:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 79 Gebruik van de vluchtstrook op de autosnelweg mag alleen in geval ven pech of nood:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 80 De maximum toegestane snelheid voor vrachtauto’s en personenauto’s met een aanhanger, zwaarder dan 3500 kg is
  • A. Zowel op een autoweg als op een autosnelweg maximaal 80 km per uur.
  • B. Op een autosnelweg 90 km per uur en op een autoweg 80 km per uur.

Antwoorden en motivatie vraag 61 t/m 80
Vraag 61
A. Het mogen geven van een geluidssignalen en/of knippersignaal ter afwending van dreigend gevaar geldt voor alle bestuurders.
Vraag 62
B. Alleen bestuurders van motorvoertuigen die gebruikt worden door politie, brandweer en ambulancedienst mogen blauw zwaailicht en een tweetonige hoorn gebruiken, om aan te geven dat zij een dringende taak vervullen.
Vraag 63
A. Motorvoertuigen die deel uitmaken van een uitvaartstoet moeten de voorgeschreven vlaggen op het voertuig voeren.
Vraag 64
B. Het voeren van verlichting overdag bij slecht zicht en bij nacht geldt voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met (elektro)motor.
Vraag 65
C. Bij slecht zicht overdag en bij nacht wordt altijd minstens dimlicht gevoerd/ontstoken. Overdag mag géén groot licht gevoerd worden.
Vraag 66
B. Groot licht mag je overdag NIET voeren. Voeren van groot licht mag ook niet bij het tegemoet komen van andere bestuurders en het op korte afstand volgen van een ander voertuig.
Vraag 67
B. Mistachterlicht mag alleen gevoerd worden bij mist en zware sneeuwval; NIET bij zware regen. Vooral bij regen kan het voeren van mistachterlicht een hinderlijke reflectie op het wegdek geven of lijken alsof een voorligger remt.
Vraag 68
A. Als men grootlicht, dimlicht, stadslicht (alleen in bepaalde gevallen bij parkeren), of mistlicht aan heeft, moet ook altijd het achterlicht en de kentekenplaatverlichting branden. Bij dagrijlichten (voorzijde) hoeven de achterlichten niet gelijktijdig ontstoken te worden.
Vraag 69
B. Met stadslicht mag je, in situaties waar het voeren van verlichting is voorgeschreven, nooit rijden. Stadslicht wordt alleen nog gebruikt bij parkeren en dan met name buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens langs een autoweg of autosnelweg.
Vraag 70
A. Ruiters en geleiders van trekdieren moeten bij nacht en slecht weer overdag een lantaarn voeren die naar voren wit of geel licht uitstralen en naar achteren rood licht. Een colonne van voetgangers ook, maar dan alleen buiten de bebouwde kom.
Vraag 71
A. Bestuurders mogen alleen geluidssignalen en/of knippersignalen geven om dreigend gevaar te voorkomen voor anderen of voor zichzelf.
Vraag 72
B. Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan voeren, indien het zicht ernstig wordt belemmerd en bij nacht, stadslicht en achterlicht.
Vraag 73
B. Zie de weergave “bijzondere verlichting”.
Vraag 74
B. Hier geldt het omgekeerde. Op autowegen kan je kruisend verkeer en/of verkeerslichten verwachten. Op autosnelwegen alleen ongelijkvloerse kruisingen (tunnels en viaducten).
Belangrijke verkeersborden: G1, G2, G3, G4, C9, C2, C16
Vraag 75
B. Het gebruik van autosnelwegen is slechts toegestaan voor bestuurders van motorvoertuigen waarmee een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden. Door toevoeging van motorvoertuigen en mogen en kunnen, volgt automatisch dat alle andere voertuigen géén gebruik van de autosnelweg mogen maken. Voor een autoweg geldt: mag en kan 50 km per uur
Belangrijke verkeersborden: G1, G2, G3 en G4
Vraag 76
B. Op autosnelwegen geldt een maximum toegestane snelheid van 130 km per uur. Een bestuurder mag op een autosnelweg niet (vrijwillig) stilstaan op de rijbaan, achteruit rijden of keren. Daarnaast is het voetgangers verboden zich lopend op de autosnelweg te begeven, behalve in noodgevallen. Om deze redenen kunnen parkeerplaatsen en tankstations niet tot de autosnelweg behoren.
Belangrijke verkeersborden: G1, G2, E4
Vraag 77
B. Op autowegen en autosnelwegen is géén minimum toegestane snelheid vastgesteld (zie vraag 2). Enige maatregel zou kunnen zijn dat je het overige verkeer niet mag hinderen of in gevaar mag brengen.
Belangrijke verkeersborden: G1, G2, G3 en G4
Vraag 78
B. De op matrixborden oftewel elektronische signaleringsborden aangegeven snelheden op of boven de autosnelweg zijn maximum toegestane snelheden.
Belangrijke verkeersborden: A3 en F9
Vraag 79
A. Politie, brandweer, ziekenauto’s en hulpverleningsdiensten die een dringende taak uitoefenen mogen gebruik maken van de vluchtstrook. Voor alle andere weggebruikers geldt dat dit alleen is toegestaan in noodgevallen.
Belangrijke verkeersborden: L14, L15, L16, L17, L18 en L19
Vraag 80
A. Zowel op een autoweg als een autosnelweg geldt voor vrachtauto’s én voor bestelauto’s en personenauto’s met een aanhangwagen zwaarder dan 3500 kg. een maximum toegestane snelheid van 80 km per uur.
Belangrijke verkeersborden: G1, G2, G3 en G4

Vraag 81 t/m 100Vragen theorie: o.a. autosnelweg, erf, rotondes
Vraag 81 De standaardregel is “inhalen geschiedt links”. Bij file rijden mag je ook rechts inhalen/voorbij gaan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 82 Wat helpt de doorstroming en het milieu:
  • A. Bij file rijden zoveel mogelijk in de eigen rijstrook blijven rijden.
  • B. Bij file rijden wisselend de rijstrook met de beste doorstroming kiezen.
Vraag 83 De “2-seconden” regel houdt in:
  • A. De minimale volgafstand tot je voorligger.
  • B. De maximale afstand tot je voorligger.
Vraag 84 Als je plotseling moet remmen of reageren bij opdoemend gevaar:
  • A. Rem of handel je doorgaans direct.
  • B. Is de reactietijd minimaal één seconde.
Vraag 85 Welke bestuurders mogen alleen de twee meest rechts gelegen rijstroken op een autosnelweg gebruiken
  • A. Bestuurders van autobussen, vrachtauto’s en opleggers.
  • B. Bestuurders van vrachtauto’s én bestuurders van samenstellen van voertuigen, meer dan 7 meter.
Vraag 86 De volgafstand bij een snelheid van 120 km per uur is ongeveer:
  • A. 70 meter.
  • B. 50 meter.
Vraag 87 Bij het willen verlaten van een autosnelweg via de uitrijstrook geef je richting aan op ongeveer:
  • A. 300 meter.
  • B. bij het begin van de dubbele belijning van de uitrijstrook.
Vraag 88 Rijdend op de invoegstrook zet je zo snel mogelijk de richtingaanwijzer aan, ten teken dat je wilt gaan invoegen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 89 Bij uitrijden op de autosnelweg mag je rechts van de blokmarkering bestuurders op de doorgaande rijbaan rechts inhalen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 90 Een doorgetrokken witte streep mag je met de auto niet overschrijden:
  • A. Klopt altijd.
  • B. Er zijn enkele uitzonderingen.
Vraag 91 Bij het bord “verkeerstunnel” (L13) geeft de weergegeven afstand aan
  • A. De lengte van de tunnel.
  • B. De afstand tot de tunnel.
Vraag 92 Binnen een erf zijn er voorzieningen zoals een stoep of trottoir aangelegd:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 93 Binnen een erf geldt de maximum toegestane snelheid zoals “binnen de bebouwde kom”:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 94 Binnen een erf gelden de normale regels van voorrang verlenen of voor laten gaan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 95 Binnen een erf kan je voetgangersoversteekplaatsen (zebra’s), voorrangskruispunten en verkeerslichten verwachten
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 96 Binnen een erf mag je de vrije ruimte benutten om de auto te parkeren, zolang je het verkeer niet hindert:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 97 De algemene regel is: “Inhalen geschiedt links”. Dit geldt ook vlak voor of op een rotonde:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 98 Bij het verlaten van, of afslaan op een rotonde geef je rechtdoorgaande bestuurders op het aanliggend fiets-/bromfietspad altijd voorrang; ook al hebben zij haaientanden:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 99 Op een rotonde laat je de richtingwijzer aan staan bij:
  • A. Rechts afslaan.
  • B. Rechtdoor gaan.
  • C. Links afslaan.
Vraag 100 Voetgangers die moeilijk ter been zijn of zij die met een “blindenstok” lopen laat je voor gaan als zij willen oversteken
  • A. Alleen bij een VOP.
  • B. Altijd.

Antwoorden en motivatie vraag 81 t/m 100
Vraag 81
A. Bij fileverkeer behoeft, als de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd. Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald/voorbijgegaan.
Belangrijke verkeersborden: J33
Vraag 82
A. Het rustig blijven rijden in de eigen rijstrook zal de file sneller oplossen en maakt dat er minder geremd én gas gegeven hoeft te worden.
Vraag 83
A. De “2-seconden” regel houdt de minimale volgafstand in. Als je het overige verkeer niet hindert, is 3 á 4 seconden veiliger omdat dit je meer tijd tot reageren en handelen geeft.
Vraag 84
B. Bij de ideale omstandigheden (voldoende scherp, alert en uitgerust) heb je minimaal één seconde reactietijd nodig, vóórdat je iets onderneemt/handelt.
Vraag 85
B. Op autosnelwegen met drie of meer rijstroken in dezelfde rijrichting mogen bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter én bestuurders van vrachtauto’s alleen de twee meest rechts gelegen rijstroken gebruiken. Dit verbod geldt niet als zij moeten voorsorteren bij een splitsing van autosnelwegen.
Vraag 86
A. Globaal ga je bij het bepalen van de volgafstand uit van het volgende:
  1. Bepaal je snelheid.
  2. Deel de snelheid door twee.
  3. Tel hier 10% bij op. (dus: 120 : 2 = 60, plus 10% = 66 km, afgerond 70 meter afstand).
Vraag 87
A. Bij uitrijden of uitvoegen op de autosnelweg geef je op een afstand van plusminus 300 meter richting aan. De richtingaanwijzer laat je aan staan tot het begin van het witte puntvlak en de dubbele belijning, waarna je de richtingaanwijzer neutraal zet. Nadien maak je met de richtingaanwijzer een eventuele nieuwe keuze kenbaar (voorsorteren, afslaan), ongeveer vanaf het bordje “uit”
Vraag 88
B. De richtingaanwijzer mag niet dwingend gebruikt worden. Je geeft pas dan richting aan, nadat je de snelheid hebt aangepast aan het overige verkeer en jezelf hebt overtuigd dat je voldoende ruimte hebt om veilig in te kunnen voegen.
Vraag 89
A. Rechts van een blokmarkering mag je inhalen. Wel extra aandacht voor andere bestuurders die op het laatste moment alsnog besluiten de autosnelweg te verlaten (richtingaanwijzer, gedrag).
Vraag 90
B. Ingeval van pech of nood mag je de doorgetrokken witte strepen overschrijden. Dit geldt met name voor de belijning grenzend aan een vluchtstrook of vluchthaven. Bij een opengestelde spitstrook mag de doorgetrokken witte belijning ook bij oprijden, inhalen en verlaten van de spitstrook overreden worden.
Vraag 91
A. Het verkeersbord L13 wordt geplaatst voor elke tunnel, langer dan 250 meter. De lengte van de tunnel wordt vermeld in het onderste deel van het bord.
Vraag 92
B. Binnen een erf bestaan geen voetgangersvoorzieningen. Een erf heeft als hoofddoel een woonfunctie of verblijfsfunctie. Voetgangers mogen de wegen binnen een woonerf over de volle breedte gebruiken.
Belangrijke verkeersborden: G5 en G6
Vraag 93
B. Binnen een erf geldt een vastgestelde toegestane maximum snelheid tussen de 0 en 15 km/u. Voorheen gold "stapvoets".
Vraag 94
A. Alhoewel extra aandacht vereist is voor voetgangers die de hele breedte van de weg mogen gebruiken (kinderen!), gelden in een erf dezelfde voorrangsregels als op andere wegen.
Vraag 95
B. Alle kruispunten binnen een erf zijn gelijkwaardige kruispunten, oftewel kruispunten van gelijke orde. Zebra’s, voorrangsborden en/of verkeerslichten tref je binnen een erf niet aan.
Vraag 96
B. Binnen een erf mogen bestuurders van motorvoertuigen hun voertuig alleen parkeren op aangeduide of aangegeven parkeerplaatsen. (uitzondering gehandicapten)
Vraag 97
B. Vlak voor of op een rotonde mogen bestuurders rechts inhalen. Dit vergroot de doorstroming omdat er op rotondes verkeersafhandelingen in verschillende richtingen plaatsvinden.
Belangrijke verkeersborden: D1, J9 en B6
Vraag 98
A. Bij afslaan op een rotonde geldt de regel “rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor” en….haaientanden hebben de betekenis “verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg”. Bij afslaan ben jij voor de bestuurder op het fietspad / bromfietspad géén kruisende bestuurder en moet je de rechtdoorgaande bestuurder voorrang verlenen. Is er ook een VOP, dan laat je de overstekende voetganger voor gaan.
Belangrijke verkeersborden: D1, J9 enB6
Vraag 99
A. Bij rechts afslaan laat je de richtingaanwijzer aan staan. Bij rechtdoor rijden en links afslaan geef je alleen richting aan als je bij aan komen rijden moet voorsorteren en hierdoor een zijdelingse verplaatsing moet uitvoeren. Op de rotonde zet je de richtingaanwijzer neutraal. Bij een rijstrookwisseling (belangrijke zijdelingse verplaatsing) én ongeveer een kwart voordat je de rotonde verlaat geef je richting aan naar rechts.
Belangrijke verkeersborden: D1, J9 en B6
Vraag 100
B. Slechtzienden en blinden met een witte stok met één of meer rode ringen en alle personen die zich moeilijk voortbewegen laat je -indien nodig- voor gaan.

Vraag 101 t/m 125Vragen theorie: o.a. colonnes, voorrangsvoertuigen, slepen, verkeersregels
Vraag 101 Een fietser die oversteekt op een VOP (voetgangersoversteekplaats) moet je voor laten gaan.
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 102 Een militaire colonne laat voetgangers die kennelijk op een VOP over willen steken voor gaan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 103 Een voorrangsvoertuig is een voorrangsvoertuig als:
  • A. Het voertuig herkenbaar is als politie-, brandweerauto of ambulance.
  • B. De bedoelde voertuigen optische- en geluidssignalen voeren.
Vraag 104 De afstand tussen een trekkend en gesleept motorvoertuig bedraagt maximaal:
  • A. 5 meter.
  • B. 2.55 meter.
Vraag 105 Een tram heeft altijd voorrang:
  • A. Klopt, dit geldt als de tram zowel van rechts, links als tegemoet komt.
  • B. Nee, niet als verkeerstekens of verkeerslichten anders aangeven.
Vraag 106 Als je op een onverharde weg rijdt, moet je op de verharde, kruisende weg voorrang geven aan:
  • A. Bestuurders op de kruisende weg die van rechts en links komen.
  • B. Alle verkeer, want je rijdt op de onverharde weg.
Vraag 107 Bij een doorgetrokken gele streep mag je:
  • A. Stil staan, alleen om te laden en lossen.
  • B. Niet stil staan en dus ook niet parkeren.
Vraag 108 Je sleept een voertuig, de sleeplijn mag nu zijn:
  • A. Minimaal 3 en maximaal 7 meter
  • B. Er is geen minimum, maar maximaal 5 meter
Vraag 109 Je stopt even op een bushalte, je mag nu:
  • A. Even snel een pakketje afgeven.
  • B. Personen laten in- en uitstappen.
Vraag 110 Een 25-km. voertuig herken je op afstand door:
  • A. Een driehoekig oranje bord met afgeronde hoeken.
  • B. Een rond bord met rode rand en aanduiding 25 km.
Vraag 111 De auto dubbel opstellen naast een langs de weg geparkeerd voertuig is:
  • A. Toegestaan voor korte duur.
  • B. Niet toegestaan, ik belemmer de doorstroming
Vraag 112 Een lifter die op de snelweg staat, mag je:
  • A. Niet meenemen.
  • B. Wel meenemen.
Vraag 113 Een invalidenvoertuig herken je aan:
  • A. Een breedte van 1.35 meter en snelheid van maximaal 45 km. per uur.
  • B. Maximaal 45 km. per uur en een breedte van maximaal 1.10 meter.
Vraag 114 Als je alcohol gedronken hebt:
  • A. Vermindert het drinken van veel water de werking hiervan.
  • B. Duurt het ongeveer 1,5 uur voordat één glas uitgewerkt is.
Vraag 115 Op jouw rijstrook bevindt zich links van jou een doorgetrokken streep:
  • A. Je mag deze niet overschrijden, evenals puntvlakken.
  • B. Je mag deze overrijden als je het tegemoetkomende verkeer niet hindert.
Vraag 116 Bij pech met de auto na een scherpe bocht:
  • A. Plaats je de gevarendriehoek.
  • B. Gebruik je de waarschuwende knipperlichten op de auto.
Vraag 117 Je verzorgt met een bestelbusje een pakketdienst, je moet:
  • A. De veiligheidsgordel op de voorgeschreven wijze dragen.
  • B. Niet dragen, want je moet steeds uitstappen
Vraag 118 Met de stopafstand wordt bedoeld:
  • A. De meters die je nodig heb om te remmen.
  • B. De afstand die je aflegt voordat je reageert, plus de meters die je aflegt tijdens het remmen.
Vraag 119 Je rijdt 80 km. per uur, de volgafstand die je aanhoudt is:
  • A. Plusminus 30 meter.
  • B. Plusminus 45 meter.
Vraag 120 Je rijdt op een onverharde weg, je moet:
  • A. Tegemoetkomende, afslaande bestuurders voor laten gaan.
  • B. Kruisende voetgangers niet voor laten gaan.
Vraag 121 Een autobus geeft -door middel van de richtingaanwijzer- aan van een halte weg te willen rijden, je moet:
  • A. Deze binnen de bebouwde kom voor laten gaan.
  • B. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom voor laten gaan.
Vraag 122 Wat is de volgorde van belangrijkheid in het verkeer:
  • A. Verkeerslichten gaan boven verkeersregels en verkeersregels boven verkeerstekens
  • B. Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens en verkeerstekens boven verkeersregels
Vraag 123 De maximumsnelheid op een autoweg is:
  • A. Maximaal 80 km. per uur, tenzij anders aangegeven.
  • B. Maximaal 100 km. per uur, tenzij anders aangegeven.
Vraag 124 Wie zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden:
  • A. Alle bestuurders.
  • B. Alle weggebruikers.
Vraag 125 Mag je een kind in de maxi-cosi, naar achter gericht -voorin op de bijrijdersstoel- vervoeren met een ingeschakelde airbag:
  • A. Ja
  • B. Nee

Antwoorden en motivatie vraag 101 t/m 125
Vraag 101
B. Volgens de regel geldt het voor laten gaan op een VOP alleen voor voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen die gebruik maken van het trottoir en de VOP. Een fietser is een bestuurder en zal je officieel alleen voor moeten laten gaan als deze met de fiets aan de hand loopt. Neemt niet weg dat je het gedrag van de fietser in de praktijk niet mag verergeren.
Vraag 102
B. Weggebruikers mogen een militaire colonne en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden. De voetganger moet de militaire colonne dus voor laten gaan.
Vraag 103
B. Voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische (blauw zwaailicht) en geluidssignalen (tweetonige hoorn) voert. Zonder het voeren van deze signalen betreft het géén voorrangsvoertuig
Vraag 104
A. Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.
Vraag 105
B. Een tram heeft in alle gevallen voorrang, voor zover het niet door verkeerstekens (borden) of verkeerslichten anders geregeld is. De bestuurder van een tram moet -indien van toepassing- een voetganger op een VOP wel voor laten gaan.
Vraag 106
A. Voorrang wordt geregeld tussen bestuurders onderling. Rijdend op een onverharde weg, moet je een kruispunt naderen alsof het een voorrangskruispunt is en als zodanig handelen.
Vraag 107
B. Doorgetrokken gele strepen zijn meestal aangebracht bij onoverzichtelijke situaties en daar waar de doorstroming te zeer belemmerd wordt ingeval van stilstaan (en parkeren)
Vraag 108
B. Een minimum sleepafstand is niet bepaald. Slepen kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden met een sleepstang van betrekkelijk korte lengte.
Vraag 109
B. Stoppen mag alleen voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. Theoretisch zou je dus ook de bagage van de passagier niet uit de kofferbak kunnen halen. Dat dit zo niet beoordeeld wordt, mag duidelijk zijn.
Vraag 110
A. Het tijdig herkennen van een 25-km voertuig stelt je in staat een voorspelling te maken over (grote) snelheidsverschillen tussen voertuigen onderling.
Vraag 111
A. Voor het in- en uitstappen en even snel iets afgeven e.d. mag dit. Uiteraard zonder het overige verkeer in gevaar te brengen en zo min mogelijk te hinderen
Vraag 112
A. Om een lifter op de autosnelweg zou je moeten stoppen op de vluchtstrook, en deze is alleen bedoelt voor pech en noodgevallen. Het oppikken van een lifter valt hier dus niet onder. Daarbij is het gebruik van de autosnelweg verboden voor voetgangers.
Vraag 113
B. Een invalidenvoertuig mag maximaal 1.10 meter breed zijn. Binnen de bebouwde kom geldt een snelheid van 30 km. per uur en buiten de bebouwde kom tot maximaal 45 km. per uur. Met een invalidenvoertuig mag je zowel het trottoir, fietspad als de rijbaan gebruiken. Op de rijbaan volgen zij de regels voor bestuurders, op het trottoir de regels van voetgangers.
Vraag 114
B. Het is een misverstand te denken dat het drinken van water, koffie e.d. invloed heeft op de afbraak van alcohol in het bloed. Geen alcohol drinken is altijd het beste.
Vraag 115
A. Een doorgetrokken witte streep op de wegas mag je niet overrijden. De dubbele belijning die je vaak op de wegas aantreft, heeft geen andere betekenis dan een enkele doorgetrokken belijning..
Vraag 116
A. De waarschuwende knipperlichten zijn niet of te laat te zien als je kort na een heuvel of na een scherpe bocht met pech met de auto staat opgesteld. Beter is om in een dergelijke situatie zowel de alarmlichten als de gevarendriehoek -op plusminus 30 meter afstand- te gebruiken.
Vraag 117
A. Misschien lastig om de gordel steeds om en af te moeten doen, maar het moet wel. Ook op korte afstanden kun je betrokken raken bij een ongeval.
Vraag 118
B. Je hebt minimaal één seconde nodig om op een verkeerssituatie te reageren (reactietijd), waarna je gaat handelen. Vervolgens heb je nog een bepaalde tijd en afstand nodig om je voertuig tot stilstand te brengen.
Vraag 119
B. De gulden regel is de rijsnelheid : 2 (+ 10%). Het aanhouden van een grotere afstand geeft natuurlijk altijd meer veiligheid en rust in het rijden.
Vraag 120
B. Voorrang verlenen geldt voor bestuurders onderling; voetgangers die je op de weg kruisen hoef je niet voor te laten gaan. Verder geldt hier: 'rechtdoor op dezelfde weg gaat voor'.
Vraag 121
A. Het voor laten gaan van een autobus, die te kennen heeft gegeven van de halte weg te willen rijden, geldt alleen binnen de bebouwde kom. Alhoewel ook de bestuurder van een autobus de richtingaanwijzer niet dwingend mag gebruiken, gebeurd dit soms wel. Extra aandacht dus!
Vraag 122
B. Je hebt regels: bijvoorbeeld bestuurders van rechts verlenen we voorrang. Staat er een verkeersteken, bijvoorbeeld een voorrangsbord, dan geldt dit teken boven de regel. Staat er vervolgens een verkeerslicht, dan gaat dit verkeerslicht -als het in werking is- weer boven de verkeerstekens/het voorrangsbord.
Vraag 123
B. De maximumsnelheid op een autoweg is 100 km. per uur. Afhankelijk van de situatie kan door middel van een verkeersteken (bord) een lagere snelheid gelden.
Vraag 124
A. De verplichting zoveel mogelijk rechts te houden geldt voor bestuurders.
Vraag 125
B. Bij het omgekeerd vervoeren van een kind in een kinderzitje op de bijrijdersstoel, moet de airbag worden uitgeschakeld.

Aanvullende informatie theorie

Militaire colonne
Bestuurders van een militaire colonne mogen -als zij bij een groen verkeerslicht begonnen zijn te passeren- door blijven rijden, ook al wordt het verkeerslicht geel of rood. Het door mogen rijden zoals boven bedoeld geldt dus op alle kruispunten, zowel gelijkwaardige kruispunten, voorrangskruispunten, als door verkeerslichten geregelde kruispunten.

Rouwstoet van motorvoertuigen
De regels voor een rouwstoet wijken enigszins af van de algemene regelgeving. Bestuurders van een gemotoriseerde rouwstoet mogen alleen door blijven rijden als zij begonnen zijn een gelijkwaardig kruispunt op te rijden. Worden de verkeersstromen op kruispunten door verkeerslichten of voorrangsborden geregeld, dan moeten de bestuurders van rouwstoeten zich aan de verkeersregels houden en mogen niet door rijden. Ook niet als het eerste voertuig het kruispunt al is opgereden.

Maximum snelheid op de Nederlandse wegen

Op de Nederlandse wegen heb je steeds met wisselende maximum toegestane snelheden te maken. Dit is enerzijds afhankelijk van de weg waar je op rijdt, anderzijds bepaalt het voertuig of motorvoertuig dat je bestuurt hoe hard je maximaal mag rijden. Het is van belang de verschillende toegestane maximum snelheden te kennen, zodat je weet hoe hard je zelf mag rijden én wat je van de andere weggebruikers kan verwachten.

Standaard maximum toegestane snelheid voor motorvoertuigen op de Nederlandse wegen. (Verkeersborden kunnen een andere of lagere snelheid aangeven, al dan niet ingericht als zone)
  • In een erf - maximaal 15 km/u. (voorheen stapvoets)
  • Binnen de bebouwde kom: 50 km/u.
  • Buiten de bebouwde kom: 80 km/u.
  • Op autowegen: 100 km/u.
  • Op autosnelwegen: 130 km/u.

Uiteindelijk moeten de meeste wegen herkenbaar worden door de wijze waarop de weg is ingericht. De Maximum toegestane snelheid in Nederland is dan af te leiden aan de inrichting van de weg.

Parkeren en stilstaan op de weg

Stilstaan of parkeren is in een aantal situaties niet of gedeeltelijk toegestaan. Dit wordt onder andere kenbaar gemaakt door middel van de plaatsing van verkeersborden of door de aangebrachte markeringen/belijning op het wegdek. Wanneer is er sprake van parkeren en wanneer gaat het om stilstaan of stoppen en hoe weet je hoe en waar dit is toegestaan? Wat is de betekenis van een onderbroken gele markering en hoe moet je handelen bij parkeren langs een blauwe markering?
Wat is stilstaan
Bij stilstaan moet je een onderscheid maken tussen:
Onvrijwillig stilstaan en Vrijwillig stilstaan
  • Je praat van onvrijwillig stilstaan als de verkeerssituatie hier om vraagt. Bijvoorbeeld: voor een rood verkeerslicht, een voetgangersoversteekplaats, file-vorming, stremming op de rijbaan enzovoort.
  • In andere gevallen gaat het om vrijwillig stilstaan. Bijvoorbeeld: het oprijden van een geblokkeerd kruispunt, het doen van een boodschap, in- of uit laten stappen van passagiers.

Bij de term stilstaan gaat het om
  • Het direct in of uit laten stappen van passagiers
  • Het direct in- of uitladen van goederen
Waar mag een bestuurder zijn of haar voertuig niet laten stilstaan?

RVV 1990 - artikel 23: verbod stil te staan
De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:
  • Op een kruispunt of een overweg.
  • Op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook.
  • Op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan
  • In een tunnel.
  • Bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering, dan wel ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord (ervoor en erna).
  • Op de rijbaan langs een busstrook.
  • Langs een gele doorgetrokken streep.
Bij het stilstaan bij een bushalte is het onmiddellijk in en uit laten stappen van passagiers toegestaan.

Wat is parkeren
In alle andere gevallen, die bij stilstaan niet genoemd zijn, spreekt men van parkeren
Waar mag een bestuurder zijn of haar voertuig niet parkeren?

RVV 1990 - artikel 24: parkeerverbod
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
  • Bij een kruispunt, op een afstand van minder dan vijf meter daarvan
  • voor een inrit of een uitrit.
  • Buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg.
  • Op een parkeergelegenheid: A voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen. B op een andere wijze dan op het bord of op het onderbord is aangegeven. C op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden.
  • Langs een gele onderbroken streep.
  • Op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.
  • Op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage 1, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
  • Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slecht gedurende de aangegeven dagen of uren.
  • De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.
  • Indien een parkeergelegenheid aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

Autowegen en Autosnelwegen

Autosnelwegen zijn de veiligste wegen; bestuurders van motorvoertuigen rijden met ongeveer eenzelfde snelheid in dezelfde rijrichting. Kruisend verkeer en/of verkeerslichten hoef je niet te verwachten. Het grootste gevaar op autosnelwegen is de hoge snelheid waarmee gereden wordt, waardoor de gevolgen bij eventuele aanrijdingen wel groter kunnen zijn dan op andere wegen. Het grootste gevaar op de autowegen is het feit dat je kruisend verkeer kunt verwachten.
Autoweg
Weg, aangeduid door bord G3; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit.
Autoweg
Een autoweg is een regionale (stroom)weg, gelegen buiten de bebouwde kom, waarover het verkeer vlot en relatief veilig van A naar B wordt geleid. De maximum toegestane snelheid op een autoweg is 100 km/u. Het begin van een autoweg wordt aangegeven met verkeersbord G3, het einde van de autoweg met verkeersbord G4.

Autosnelweg
Een autosnelweg is een nationale (stroom)weg, met ongelijkvloerse kruisingen en op- en afritten. De maximum toegestane snelheid op een autosnelweg is 130 km/u. Het begin van een autosnelweg wordt aangegeven met verkeersbord G1, het einde van de autosnelweg met verkeersbord G2.
Autosnelweg
Weg, aangeduid door bord G1; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit.

Het theorie-examen

Beoordeling van de vragen voor de theorie

Alhoewel de vragen en antwoorden niet één op één te vergelijken zijn met de vragen die je bij het CBR krijgt voorgelegd, kun je er wel een bepaalde score uit afleiden.
Globaal betekent dit dat je 75% van de 120 bovenstaande vragen goed beantwoord moet hebben voor een positief resultaat (90 vragen).
Het theorie-examen voor de personenauto bestaat uit drie onderdelen:
  1. Een onderdeel over gevaarherkenning (25 vragen);
  2. Een onderdeel over verkeersregels (30 vragen);
  3. Een onderdeel over verkeersinzicht / risico’s (10 vragen).

Je slaagt voor het theorie-examen als:
  • Je tenminste 13 vragen goed hebt (van de 25) van het onderdeel gevaarherkenning;
  • Je tenminste 35 vragen goed hebt (van de 40) van de onderdelen verkeersregels en verkeersinzicht.

Lees verder

© 2011 - 2017 Jvd, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Informatie over het bromfietsrijbewijs (AM)Informatie over het bromfietsrijbewijs (AM)Wie nu nog een bromfietscertificaat heeft, kan dit omwisselen in een bromfietsrijbewijs (AM). Vanaf 1 oktober 2009 geldt…
Je autorijbewijs halen? Wat is er allemaal op de markt?Je bent eindelijk zo oud dat je beginnen mag met het lessen voor je auto rijbewijs. Je hebt er hard voor gespaard en nu…
Open vragen leren van theorie rijbewijs BOpen vragen leren van theorie rijbewijs BHier staan voorbeelden van open vragen die je voor het theorierijbewijs moet kunnen beantwoorden. Dit is een mooi overzi…
Auto theorie examen: tips and tricksAuto theorie examen: tips and tricksWanneer je je autorijbewijs wilt behalen zal je moeten slagen voor het praktijk examen en het theorie examen. In dit art…
Cursus theorie voor het rijexamen: 1. VerkeersdeelnemersIn deze eerste les van de theorie voor het rijexamen ga je meer leren over de verschillende deelnemers die in het verkee…
Bronnen en referenties
  • ROV Zuid-Holland
  • Min. van Verkeer en Waterstaat
  • Autorij-instructie.nl

Reageer op het artikel "Theorie voor het rijbewijs - 125 vragen"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reactie

Buteneers Christel, 18-06-2012 08:12 #1
Goedemorgen,

Aan welke zijde van de baan moet je parkeren in een éénrichtingsstraat? Reactie infoteur, 18-06-2012
Beste Christel,

Vroeger gold de zijde van de rijrichting (rechts). Tegenwoordig maakt dit niet meer uit, mits er geen parkeerbeperkingen gelden (verkeersborden). Neemt niet weg dat de rijrichting (rechts) doorgaans wel het veiligste zal zijn omdat je dan bij hernieuwde deelname aan het verkeer niet extra allert hoeft te zijn op tegemoetkomend én achteropkomend verkeer, maar voornamelijk op het achteropkomende verkeer. Tegenwoordig kunnen beide mogelijkheden ook een onderdeel zijn van het autorijexamen.
Daarnaast wordt er wel van je verlangd dat je het overige verkeer niet belemmerd.

Zie ook volgend artikel voor stoppen, parkeren en stilstaan:
http://auto-en-vervoer.infonu.nl/verkeer/9873-autorijles-parkeren-of-stilstaan-met-de-auto.html

Mvg - Sjaak

Infoteur: Jvd
Laatste update: 18-06-2016
Rubriek: Auto en Vervoer
Subrubriek: Verkeer
Special: Verkeerskennis Test
Bronnen en referenties: 3
Reacties: 1
Schrijf mee!