InfoNu.nl > Auto en Vervoer > Verkeer > 100 vragen voor het theorie-examen voor het rijbewijs

100 vragen voor het theorie-examen voor het rijbewijs

100 vragen voor het theorie-examen voor het rijbewijs Honderd vragen voor je verkeers-theorie. Als je op het moment een rij-opleiding volgt of pas theorie-examen voor het rijbewijs hebt gedaan, zal veel kennis van de verkeerstheorie nog wel paraat zijn. Anders wordt het als het afleggen van je rijexamen al weer enige tijd geleden is. Binnen de 100 vragen komen vele onderwerpen aan de orde die met verkeer, verkeersdeelname, verkeersregels, verkeersinzicht en verkeerskennis te maken hebben. Vanaf een goede beantwoording van plusminus 75 procent behaal je een positief resultaat. Doe de test en kijk wat je score is.

Honderd vragen voor je verkeers-theorie

De 100 vragen zijn bedoeld om je theoretische kennis te testen of gewoon voor de aardigheid. De vragen zijn gebaseerd op de theoretische kennis die benodigd is voor het behalen van theorie-examen voor het rijbewijs-B (auto), maar zijn ook van nut voor het behalen van de theorie voor de AM rijbewijzen (snorfiets, bromfiets, brommobiel). Kies bij iedere vraag het juiste of meest logische antwoord en schrijf vervolgens een A, B of een C op voor het antwoord, waarvan jij denkt dat het juist is. Onder aan het artikel kun je de antwoorden controleren en vind je zo nodig de motivatie van de antwoorden.

Benader de vragen -tenzij anders aangegeven- alsof je in een personenauto/de lesauto rijdt.

Indeling van de 100 theorievragen

Voor een beter overzicht en een makkelijkere controle zijn de 100 vragen en antwoorden opgesplitst in blokken van 20.


Vraag 01 t/m 20Antwoorden
Vraag 01Als het dimlicht op de auto niet werkt, mag je:
  • A. Niet rijden.
  • B. Met stadslicht alsnog rijden.
Vraag 02 De BAR = de druk in mijn autobanden moeten ongeveer zijn:
  • A. Plusminus 2,3 BAR
  • B. Plusminus 1,6 BAR
Vraag 03 Een verbandtrommel:
  • A. Moet verplicht in de auto aanwezig zijn.
  • B. Is verstandig bij de hand te hebben.
Vraag 04 Met ABS (anti blokkeersysteem) op de auto:
  • A. Sta ik eerder stil dan zonder ABS
  • B. Zonder ABS sta je -bij goed doseren van het remmen- eerder stil
Vraag 05 Als de lading aan de voorzijde van de personenauto uitsteekt, moet een markeringsbord gebruikt worden als:
  • A. Als de lading uitsteekt tot een lengte van 3.50 meter.
  • B. Niet, want uitstekende lading aan de voorzijde is niet toegestaan.
Vraag 06 Je sleept een personenauto met een personenauto. Volgens het RVV is de gesleepte auto:
  • A. Een zelfstandig voertuig.
  • B. Een aanhanger.
Vraag 07 Je caravan weegt meer dan 750 kg, je hebt:
  • A. Een witte kentekenplaat met zwarte letters/cijfers.
  • B. Een eigen gele kentekenplaat, die afwijkt van die op de auto.
Vraag 08 Als je een glas jenever, bier en wijn vergelijkt, heeft:
  • A. Bier de meeste alcohol, want dit glas heeft de meeste inhoud.
  • B. Is voor alle drie de dranken het alcoholpercentage per standaardglas gelijk.
Vraag 09 Een voetganger bij een voetgangersoversteekplaats/zebrapad:
  • A. Moet je altijd voor laten gaan en een onbelemmerde voortgang verlenen.
  • B. Laat je alleen voor gaan als hij of zij te kennen geeft over te willen steken.
Vraag 10 Rijdend op een voorsorteerstrook mag je:
  • A. Van voorsorteerstrook/rijrichting wisselen, als je dit op tijd doet en richting aan geeft.
  • B. Moet je altijd de gekozen rijrichting blijven volgen.
Vraag 11 Puntvlakken en verdrijvingsvlakken op de weg dienen om:
  • A. Te waarschuwen dat je een inhaalaktie moet afronden.
  • B. Ter geleiding van de verkeersstromen,mag je niet overrijden
Vraag 12 Bij afslaan moet je......welke voetgangers voor laten gaan:
  • A. De voor jou rechtdoorgaande voetgangers.
  • B. Zowel de rechtdoorgaande als kruisende voetgangers.
Vraag 13 In situaties waar je voorrang moet verlenen, geldt dit voor:
  • A. Voor al het overige verkeer.
  • B. Voor bestuurders onderling.
Vraag 14 Vlak voor of op een rotonde mag je bij meerdere rijstroken in dezelfde richting:
  • A. Alleen rechts rijden (plaats op de weg is rechts)
  • B. Zowel rechts als links rijden
Vraag 15 Binnen een erf mag je parkeren:
  • A. Binnen het erf, zolang je niemand hindert.
  • B. Alleen parkeren in de daartoe bestemde vakken.
Vraag 16 In een bocht mag je nooit inhalen:
  • A. Klopt omdat je jezelf moet concentreren op het verloop van de bocht.
  • B. Klopt niet als je maar voldoende zicht hebt en dit veilig kan en mag doen.
Vraag 17 Bij slecht zicht mag je altijd groot licht voeren:
  • A. Waar.
  • B. Niet waar.
Vraag 18 Als de binnenspiegel ontbreekt, mag je:
  • A. Niet rijden want je ziet onvoldoende.
  • B. Wel rijden als er een linker en rechter buitenspiegel aanwezig is.
Vraag 19 Een veiligheidsgordel tot 18 jaar:
  • A. Wordt gedragen door personen korter dan 135 cm. als heupgordel.
  • B. Wordt gedragen door personen korter dan 135 cm. gezeten op een 'kinderzitje'.
Vraag 20 Lading op de auto mag aan de zijkant niet meer uitsteken dan:
  • A. 20 cm. per zijkant.
  • B. Tot een breedte van 2.50 meter.

Antwoorden en motivatie vraag 1 tot en met vraag 20
Vraag 01
A. Stadslicht wordt tijdens het rijden niet meer gevoerd, maar dient in bepaalde situaties ter markering van het voertuig.
Vraag 02
A. BAR 2,3 is een gemiddelde. De luchtdruk wordt mede bepaald door: het type voertuig, de belading en de belasting van het voertuig.
Vraag 03
B. Het moet niet, maar je kunt er over twisten. Wil je eerste hulp verlenen, dan is het eigenlijk noodzakelijk.
Vraag 04
B. In tegenstelling tot wat velen denken, is zelf gedoseerd remmen effectiever. Voorwaarde is echter dat je rustig moet blijven en het overzicht moet bewaren. Laat ABS geen gevoel schijnveiligheid geven.
Vraag 05
B. Aan de voorzijde mag de lading niet uitsteken. Aan de zijden (20 cm.) en achter het voertuig (1 meter) gelden markeringsborden boven zodra genoemde maten worden overschreden.
Vraag 06
B. De definitie van een aanhangwagen luidt: 'voertuigen die worden voortbewogen door een ander voertuig of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers'.
Vraag 07
B. Een aanhangwagen met een toegestane maximum massa boven de 750 kg hebben een eigen kentekenbewijs en dus ook een eigen kentekenplaat.
Vraag 08
B. De standaardmaten van de glazen verschillen, daardoor is het alcoholpercentage van alle drie de dranken gelijk.
Vraag 09
A. Een voetganger bij een VOP=zebrapad moet je altijd voor laten gaan, op dusdanige wijze dat er bij de betreffende voetganger geen twijfel over bestaat en deze zijn of haar weg met gelijkblijvende tred kan vervolgen.
Vraag 10
A. Als er nog sprake is van een onderbroken witte belijning, mag je nog van rijstrook wisselen. Bij een doorgetrokken belijning niet meer.
Vraag 11
B. Puntvlakken, verdrijvingsvlakken en doorgetrokken witte belijning mag je niet overschrijden / over rijden, tenzij de doorstroming ernstig in gevaar komt.
Vraag 12
A. Hier geldt de algemene regel: 'rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor'.
Vraag 13
B. Voorrang verlenen geldt tussen bestuurders onderling, anders spreken we van voor laten gaan.
Vraag 14
B. De regel luidt: 'het is bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op een rotonde anders dan rechts te rijden.
Vraag 15
B. Binnen een erf zijn geen voetgangersvoorzieningen getroffen (stoep e.d.) en mogen voetgangers de weg over de gehele breedte gebruiken. Derhalve mag je alleen in de vakken parkeren. Is het erf mede aangeduid als parkeerschijfzone, dan mag -onder gebruik van de parkeerschijf- ook geparkeerd worden op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.
Vraag 16
B. Als je het veilig doet en voldoende zicht hebt mag dit.
Vraag 17
B. Groot licht mag je alleen bij nacht voeren, dat is dus het uitgangspunt. Verder mag je tijdens het voeren van groot licht andere weggebruikers/bestuurders niet hinderen/verblinden.
Vraag 18
B. Een binnenspiegel is niet verplicht als hiermee het achter de auto gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Er moet dan wel een juist bevestigde rechter- en linker buitenspiegel aanwezig zijn op het voertuig.
Vraag 19
B. Het 'kinderzitje' moet je ruim zien. Voorheen mocht de gordel als heupgordel gebruikt worden, maar dit geeft onvoldoende beveiliging, zodat deze regel is aangescherpt.
Vraag 20
A. De breedte van 2.50 meter betreft de maximaal toegestane breedte van motorvoertuigen op onverharde wegen.

Vraag 21 t/m 40Antwoorden
Vraag 21De personenauto mag volgens het kenteken 1400 kg trekken, de aanhangwagen inclusief laadvermogen weegt 1050. Je hebt nodig:
  • A. Rijbewijs BE want de aanhanger is zwaarder dan 750 kg.
  • B. Rijbewijs B want de aanhangwagen mag getrokken worden door de auto en het totaalgewicht van de combinatie bedraagt minder dan 3500 kg.
Vraag 22 Je voert op de privé-auto optische- en geluidssignalen, je bent:
  • A. Hiermee een voorrangsvoertuig geworden
  • B. Uiterst strafbaar, is streng verboden
Vraag 23 Je bent 50 jaar en hebt 30 jaar je rijbewijs, je mag nu:
  • A. Maximaal 0,5 promille alcohol in het bloed hebben.
  • B. Maximaal 0,2 promille alcohol in het bloed hebben.
Vraag 24 Bij ongevallen die plaatsvinden, is de schuld:
  • A. 50% de mens en 50% overige oorzaken, inclusief de techniek van de auto.
  • B. Voor 92% is de mens schuldig aan het ontstaan van ongevallen.
Vraag 25 De volgafstand die je tot een voorligger aanhoudt is minimaal:
  • A. 2 seconden.
  • B. 3 a 4 seconden.
Vraag 26 Bij uitrijden op/verlaten van en autosnelweg:
  • A. Geef je richting aan daar waar de dubbele belijning van de uitrijstrook begint.
  • B. Geef je ruim van tevoren, op ongeveer 200 a 300 meter afstand richting aan.
Vraag 27 Bij aan komen rijden op een autosnelweg, vóór het invoegen:
  • A. Geef je gas bij en voegt in vóór de andere bestuurders.
  • B. Kies je in principe de plek en de ruimte om in te voegen achter een voertuig.
Vraag 28 De elektronische signaleringsborden boven de snelweg geven een snelheid aan:
  • A. Dit is een adviessnelheid, ingeval van wegwerkzaamheden, file enz.
  • B. Dit is een verplichte maximum toegestane snelheid, die je niet mag overschrijden.
Vraag 29 Als je bij een weefvak de snelweg wilt oprijden:
  • A. Ga je voor want je moet snelheid kunnen maken voor het invoegen.
  • B. Laat je in principe uitrijdende bestuurders voor gaan.
Vraag 30 De autoweg is bedoeld voor het gebruik van motorvoertuigen die:
  • A. Minstens 80 kilometer per uur kunnen rijden, maar bij voorkeur 100.
  • B. Minstens 50 kilometer per uur kunnen en mogen rijden.
Vraag 31 Als je een uitrit uitrijdt, of een inrit inrijdt, moet je:
  • A. Alle bestuurders voor laten gaan, van zowel rechts als links.
  • B. Moet je al het overige verkeer voor laten gaan.
Vraag 32 Rijdend in een voorsorteerstrook mag je:
  • A. Niet meer van richting veranderen en moet je de gekozen rijrichting volgen.
  • B. Zodra er een doorgetrokken streep is, niet meer van rijrichting veranderen.
Vraag 33 Een pijl in het verkeerslicht bij afslaan betekent:
  • A. Let op andere weggebruikers bij het afslaan en laat deze voor gaan.
  • B. In principe hebben -als ik afsla- andere weggebruikers een rood verkeerslicht.
Vraag 34 Als je langere tijd voor een spoorwegovergang moet wachten moet je:
  • A. De motor afzetten, dat is beter voor het milieu.
  • B. De motor laten draaien, zodat je direct door kunt rijden zodra het rode licht dooft.
Vraag 35 Bij nacht mag je geen groot licht voeren:
  • A. Binnen de bebouwde kom.
  • B. Als je achter een fietser rijdt.
Vraag 36 Bij nadering van een stopbord moet je:
  • A. Rustig oprijden tot de stopstreep voordat je doorrijdt.
  • B. De auto volledig stoppen voordat je doorrijdt.
Vraag 37 Rijdend op een erf geef je/gelden:
  • A. Gelden over het algemeen dezelfde regels als elders binnen de bebouwde kom.
  • B. Binnen het erf voetgangers van rechts voorrang.
Vraag 38 Als een verkeerslicht groen is moet je:
  • A. Even wat sneller gaan rijden om zodoende de doorstroming te bevorderen.
  • B. De maximaal toegestane snelheid aanhouden.
Vraag 39 Een handig weetje bij het afslaan met tegemoet komende afslaande bestuurders is:
  • A. Lange bocht gaat voor korte bocht.
  • B. Korte bocht gaat voor lange bocht.
Vraag 40 Als je in een 30 km.-zone rijdt, dan wordt:
  • A. Het verkeersbord voor ieder kruispunt herhaald.
  • B. Het bord slechts twee maal geplaatst.

Antwoorden en motivatie vraag 21 tot en met vraag 40
Vraag 21
B. Met rijbewijs B mag altijd een aanhanger plus laadvermogen tot 750 kg getrokken worden. Daarboven is het afhankelijk van wat het trekkende voertuig volgens het kenteken mag trekken, plus dat van de aanhanger tot een maximum van 3500 kg.
Vraag 22
B. Alhoewel aan de buitenkant van een motorvoertuig niet altijd is te zien binnen welke functie het voertuig gebruikt wordt, moet hier bij wet (ministeriële regeling) wel toestemming voor verleend zijn. Een voertuig hoeft dus niet altijd direct herkenbaar te zijn als voorrangsvoertuig.
Vraag 23
A. Je hebt geen beginnersrijbewijs en mag tot maximaal 0,5 promille alcohol in het bloed hebben.
Vraag 24
B. De mens is voor 92% verantwoordelijk, 5% komt door de weg- en omgevingsomstangdheden en 3% door problemen met het voertuig. Dit zijn uiteraard gemiddelden.
Vraag 25
A. De regel is 2 seconden. Beter echter is 3 á 4 seconden, zodat je jezelf meer ruimte en tijd geeft te reageren en te handelen op onverwachte situaties.
Vraag 26
B. 200 á 300 meter vanaf de uitrit geef je al richting aan, zodat andere weggebruikers tijdig weten/kunnen voorspellen wat je gaat doen.
Vraag 27
B. In principe voeg je in achter een andere bestuurder, zodoende houd je zelf het initiatief en ben je minder afhankelijk van het versnellen of vertragen van anderen. Kies tijdig je plek van invoegen en pas je snelheid hierop aan.
Vraag 28
B. Het voordeel van elektronische signaleringsborden is dat de maximum snelheid kan worden aangepast aan de verkeersdrukte op een willekeurig moment.
Vraag 29
B. De doorstroming op de doorgaande rijbaan (de snelweg) is het meest belangrijke. Veelal ligt hier de snelheid ook hoger.
Vraag 30
B. De maximumsnelheid op een autoweg is 100 km. per uur, maar als het motorvoertuig sneller dan 50 km. per uur kan en mag rijden, is rijden op de autoweg toegestaan.
Vraag 31
B. Bij het in- of uitrijden van een uitrit/inrit gaat het om het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre en moet je al het overige verkeer (alle weggebruikers) vóór laten gaan (dus ook voetgangers).
Vraag 32
B. Zodra je de doorgetrokken streep ter afscheiding van de rijstroken bereikt, moet je de gekozen rijrichting blijven volgen en eventueel later je rijrichting op een juiste wijze corrigeren (keren).
Vraag 33
B. Bij een pijl in het verkeerslicht, hebben andere weggebruikers vanuit andere richtingen in principe een rood licht. Neem je voorrang echter niet, maar handel verkeersinzichtelijk juist, veilig en sociaal.
Vraag 34
A. Het nieuwe rijden geeft een aantal richtlijnen over het rijgedrag, die je geacht wordt te volgen. Bij een langere stop de motor uit zetten is er één van.
Vraag 35
B. Bij nacht mag je altijd groot licht voeren, mits je maar geen andere weggebruikers hindert of verblindt.
Vraag 36
B. Bij een stopbord moet je de auto stilzetten vóór de stopstreep of denkbeeldige stopstreep. Tel voor jezelf twee seconden terwijl de auto stilstaat, om er zeker van te zijn dat je aan de regel voldoet.
Vraag 37
A. Bestuurders van rechts hebben binnen een erf voorrang. Wel extra aandacht voor voetgangers/spelende kinderen, omdat zij het erf over de volle breedte mogen gebruiken. Er zijn geen stoepen (voetgangersvoorzieningen) aangelegd binnen een erf.
Vraag 38
B. Er is geen reden te versnellen. Alle bestuurders moeten zich aan de maximumsnelheid te houden.
Vraag 39
B. De korte bocht gaat voor de lange bocht. Als de 'lange bocht' afslaat, bevindt de 'korte bocht' zich in feite ook rechts van de 'lange bocht'.
Vraag 40
B. Het bord wordt geplaatst bij inrijden en uitrijden van de zone, verder niet. Blijf je dus binnen het gehele gebied van de zone bewust van het feit dat je in de zone rijdt.

Vraag 41 t/m 60Antwoorden
Vraag 41Vlak voor of op een zebrapad mag je:
  • A. Een vrouw met kinderwagen op de rijbaan inhalen.
  • A. Geen enkele verkeersdeelnemer op de rijbaan inhalen.
Vraag 42 Binnen een erf mag je maximaal rijden:
  • A. 15 kilometer per uur.
  • B. 30 kilometer per uur.
Vraag 43 Een geel verkeerslicht betekent:
  • A. De doorstroming bevorderen en door rijden.
  • B. Als het redelijkerwijs kan stoppen.
Vraag 44 Bij hevige aqua-planning op de weg:
  • A. Rem je direct af zodat je een veilige snelheid bereikt.
  • B. Ga je van het gas af en blijft sturen in de richting waar je naartoe wilt.
Vraag 45 De personenauto plus caravan is 8.00 meter lang, je mag nu:
  • A. Alle op de snelweg beschikbare rijstroken gebruiken, mits je jezelf aan de maximaal toegestane snelheid houdt en niemand hindert.
  • B. Bij een rijbaan met meer dan twee rijstroken in dezelfde rijrichting, alleen de twee meest rechts gelegen rijstroken gebruiken.
Vraag 46 Je moet nodig een belangrijk telefoontje afhandelen:
  • A. Je rijdt naar een parkeerplaats toe.
  • B. Je stopt even op de vluchtstrook met gebruik van de alarmerende knipperlichten.
Vraag 47 De adviessnelheden die worden aangegeven, zijn gebaseerd op:
  • A. De meest gunstige weersomstandigheden.
  • B. De gemiddelde weersomstandigheden.
Vraag 48. Als je op een uitrijstrook/uitvoegstrook rechts van een blokmarkering rijdt, moet je:
  • A. Richting aangeven zolang de blokmarkering aanwezig is.
  • B. De richtingaanwijzer neutraal zetten zodra je voldoende rechts rijdt.
Vraag 49 De minimale profieldiepte op de hoofdgroef van de autobanden moet zijn:
  • A. 2,3 millimeter.
  • B. 1,6 millimeter.
Vraag 50 Een gevarendriehoek:
  • A. Moet in de auto aanwezig zijn, ingeval van pech onderweg.
  • B. Hoeft niet aanwezig te zijn want je hebt alarmlichten die je bij pech inschakelt.
Vraag 51 Op een aanhangwagen is verplicht aangebracht:
  • A. Een mistachterlicht als de aanhangwagen zwaarder is dan 750 kg.
  • B. Mistachterlicht ongeacht het gewicht van de aanhangwagen.
Vraag 52 Als de lading uitsteekt achter de personenauto, moet een markeringsbord gebruikt
worden als:
  • A. Niet, want de lading mag niet meer dan een meter uitsteken.
  • B. Als de lading meer dan 1.00 meter uitsteekt.
Vraag 53 De linker buitenspiegel ontbreekt:
  • A. Je mag nu niet gaan rijden.
  • B. Je mag rijden, want je hebt nog een binnen- en rechter buitenspiegel.
Vraag 54 Het kenteken op de fietsendrager achter op de auto is:
  • A. Een apart geel kenteken, plus de benodigde kentekenpapieren.
  • B. Hetzelfde als op de auto, maar in basis wit van kleur.
Vraag 55 Je bent 50 jaar maar hebt een beginnersrijbewijs, je mag:
  • A. Maximaal 0,2 promille alcohol in het bloed hebben.
  • B. 0,5 promille alcohol, want je bent ouder dan 23 jaar.
Vraag 56 Het aantal doden dat jaarlijks in het verkeer valt is:
  • A. Ongeveer 600 per jaar.
  • B. Ongeveer 1300 per jaar.
Vraag 57 Na het drinken van te veel alcohol wordt je een rijverbod opgelegd, je mag nu een fiets besturen:
  • A. Ja
  • B. Nee
Vraag 58 Het ventieldopje op de autoband moet aanwezig en goed bevestigd zijn:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 59 Voor een goede beveiliging stel je de hoofdsteun af: bovenzijde hoofdsteun halverwege de nek
  • A. Ja
  • B. Nee
Vraag 60 Het roken van een joint beïnvloedt het waarnemingsvermogen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.

Antwoorden en motivatie vraag 41 tot en met vraag 60
Vraag 41
A. Vlak voor of op een VoetgangersOversteekPlaats (zebrapad) is het verboden een voertuig in te halen. Een voetganger mag je als je dit veilig kunt doen wel inhalen.
Vraag 42
A. Binnen een erf geldt een maximum toegestane snelheid van 15 km/u. (voorheen stapvoets).
Vraag 43
B. De regel bij een geel/oranje verkeerslicht is: als een bestuurders het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat redelijkerwijs stoppen niet meer mogelijk is, doorgaan!
Vraag 44
B. Bij (plotseling) remmen bestaat de kans op blokkeren van (één van) de wielen. Probeer rustig te blijven en stuur in de gewenste rijrichting, verminder snelheid totdat de banden weer grip krijgen.
Vraag 45
B. Zodra de lengte van een samenstel van voertuigen meer dan 7 meter bedraagt, mag door hen -indien de rijbaan van de autosnelweg meer dan twee rijstroken in dezelfde rijrichting heeft- alleen de twee meest rechts gelegen rijstroken gebruikt worden. Dit geldt ook voor vrachtauto's, uitgezonderd hierop zijn autobussen.
Vraag 46
A. Stil staan op een vluchtstrook is alleen toegestaan bij pech- en noodgevallen.
Vraag 47
A. Dit betekent dat de snelheid en de volgafstand bij slechte weersomstandigheden nog nadrukkelijker moet worden aangepast.
Vraag 48
A. Het richting aangeven over de gehele lengte van de uitvoegstrrok wordt slecht toegepast, maar dit moet volgens de regels wel. Vooral bij weefvakken, waar uitrijden en invoegen gecombineerd worden, geeft het juist gebruik van de richtingaanwijzer duidelijkheid en bevordert de doorstroming,
Vraag 49
B. Het minimum op de hoofdgroef is 1.6 mm. De prestaties van de band nemen hierbij echter al snel af, dus is meer profieldiepte zeer wenselijk.
Vraag 50
A. Bij pech mag in situaties met voldoende zicht voor naderende bestuurders voor beide oplossingen gekozen worden. Staat het voertuig slecht zichtbaar opgesteld (scherpe bocht, steile helling) of vormt het een obstakel, plaats dan op plusminus 30 meter afstand van het voertuig de gevarendriehoek.
Vraag 51
B. Behalve enkele uitzonderingen is de aanwezigheid van een goed werkend mistachterlicht op de aanhanger verplicht. Dit geldt overigens voor alle bij de EU aangesloten landen.
Vraag 52
A. Bij een personenauto mag de lading maximaal 1 meter achter het voertuig uitsteken. Zorg er bij het vervoeren van lading ook voor dat het kenteken goed leesbaar blijft en de verlichting goed zichtbaar.
Vraag 53
A. Zonder linker buitenspiegel mag je niet rijden!
Vraag 54
B. Op een fietsendrager is een witte kentekenplaat met dezelfde cijfer- en lettercombinatie als op de auto voldoende.
Vraag 55
A. Voor eenieder met een beginnersrijbewijs geldt een alcoholpromillage van 0,2 ongeacht de leeftijd.
Vraag 56
A. Ongeveer 600 verkeersdoden zijn er jaarlijks te betreuren. Alhoewel dit aantal de laatste jaren aanzienlijk is gedaald, blijft het streven dit aantal verder terug te brengen.
Vraag 57
B. Als er een rijverbod opgelegd wordt, mag je helemaal geen voertuig besturen. Een rijverbod kan voor maximaal 24 uur opgelegd worden.
Vraag 58
A. Zonder ventieldopje op de autoband komt er vuil in de ventielopening en is de autoband mogelijk niet meer goed op spanning te brengen of loopt leeg.
Vraag 59
B. De bovenkant van de hoofdsteun moet ongeveer ter hoogte van de bovenkant van het hoofd staan afgesteld voor een optimale veiligheid en bescherming.
Vraag 60
A. Het roken van een joint beïnvloedt het waarnemingsvermogen. Mogelijk wordt je hiervan ook overmoedig en neem je meer risico's in het verkeer dan dat je in heldere toestand zou doen.

Vraag 61 t/m 80Antwoorden
Vraag 61Een 'invoeger' op de autosnelweg heeft te weinig ruimte. Wat doe je:
  • A. Je geeft een signaal met de claxon.
  • B. Je remt.
  • C. Je gaat van het gas.
Vraag 62 Een autobus die met de richtingaanwijzer te kennen geeft van een halte weg te willen rijden, laat je voor gaan:
  • A. Binnen de bebouwde kom.
  • B. Binnen en buiten de bebouwde kom.
Vraag 63
Dit bord geeft aan:
  • A. Omleidingsroute bij problemen of file op autosnelwegen.
  • B. Route-aanduiding voor pech- en hulpdiensten.
  • C. Omleidingsroute bij vervoer van gevaarlijke stoffen.
Vraag 64 Een te lage bandenspanning heeft een nadelige invloed op het brandstofverbruik:
  • A. Ja
  • B. Nee
Vraag 65 Een verdubbeling van de rijsnelheid geeft bij remmen:
  • A. Een verdubbeling van de remafstand.
  • B. Een verviervoudiging van de remafstand.
  • C. Geeft met ABS géén meetbaar verschil.
Vraag 66 Een bewusteloos of brakend persoon leg je in een stabiele rugligging:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 67 De belangrijkste oorzaak bij het ontstaan van ongevallen is:
  • A. Het voertuig.
  • B. De condities van de weg.
  • C. De mens.
Vraag 68 Bij het voeren van mistlampen voor, moet ik ook dimlichten voeren:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 69 Aanduiding van 50km/u op een matrixbord boven de autosnelweg geeft de adviessnelheid aan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 70 De maximaal toegestane snelheid voor een bromfiets op de rijbaan, binnen de bebouwde kom is:
  • A. 30 km/u.
  • B. 45 km/u.
  • C. 50 km/u.
Vraag 71
Bord F1 geldt voor alle motorvoertuigen behalve motorfietsen:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 72 Bij te water raken, sla je het linker zijraam in en verlaat zo snel mogelijk de auto:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 73 Bij het verlaten van een rotonde, moet je altijd richting naar rechts aangeven:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 74 Het rechter wiel van de auto komt in een zachte berm. Wat doe je:
  • A. Gas los.
  • B. Remmen.
  • C. Snel wegsturen.
Vraag 75 De 'dode hoek' verdwijnt bij het juist afstellen van de binnen- en linker buitenspiegel:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 76
Binnen een erf is de maximum toegestane snelheid 30 km/u:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 77 Je wilt links af slaan en staat opgesteld tegen de wegas en wacht op een tegenligger. De wielen van de auto staan:
  • A. Links ingedraaid
  • B. Recht
  • C. Maakt niet uit, wordt bepaald door de rijlijn.
Vraag 78 Je personenauto uit 2001 heeft 7 zitplaatsen, maar slechts op vijf zitplaatsen autogordels. Je mag nu:
  • A. 6 volwassen passagiers meenemen.
  • B. 4 volwassen passagiers meenemen.
  • C. Staat niet beschreven.
Vraag 79 Een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig volgt zowel op het trottoir als op de weg de regels van voetgangers:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 80
Dit bord geeft een weg met éénrichtingsverkeer aan:
  • A. Ja.
  • B. Nee.

Antwoorden en motivatie vraag 61 tot en met vraag 80
Vraag 61
C. Je gaat van het gas. Als je een goede inschatting hebt gemaakt van de verkeerssituatie, dan heb je dit al kunnen voorspellen en help je de andere bestuurder bij het invoegen door ruimte te maken.
Vraag 62
A. Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met de richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.
Vraag 63
A. Een betrekkelijk nieuw verkeersbord, dat bij problemen een alternatieve route aangeeft, om zodoende de autosnelwegen te ontlasten en de doorstroming op de wegen te bevorderen en de verkeersdruk te spreiden.
Vraag 64
A. Bij een te lage bandenspanning heb je meer wrijving tussen de band en het wegdek, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen en de wegligging verslechteren.
Vraag 65
B. Makkelijk om globaal te onthouden is: deel je gereden snelheid door 10 en vermenigvuldig de uitkomst met hetzelfde getal. Dit geeft bij benadering de benodigde remweg. Dus bv: 120: 10 = 12. Remafstand plusminus 12 x 12 = 144 meter. Bij 60 km/u betekent dit: 60: 10 = 6. Remafstand plusminus 6 x 6 = 36 meter.
Vraag 66
B. Om verslikken of stikken bij het slachtoffer te voorkomen, leg je het slachtoffer in de stabiele zijligging.
Vraag 67
C. In ruim 90% van de gevallen ligt het falen van de mens aan de basis van een ongeval. Denk aan afleiding door passagiers, vermoeidheid, drank, medicijnen, bellen in de auto enzovoort
Vraag 68
B. Dit hoeft -per 1 april 2008- niet meer omdat het voeren van mistlicht én dimlicht tot een hinderlijke reflectie op het wegdek of verblinding voor de bestuurder zelf kan leiden.
Vraag 69
B. De snelheid op een matrixbord boven de autosnelweg betreft de maximale toegestane snelheid en géén adviessnelheid. Staan er echter aan de zijde van de weg verkeersborden die een lagere maximale toegestane snelheid aangeven, dan geldt de laagste aangegeven snelheid.
Vraag 70
B. Daar waar bromfietsers de rijbaan binnen de bebouwde kom moeten volgen, geldt voor hen een maximale toegestane snelheid van 45 km/u. Op de fiets-/bromfietspaden geldt binnen de bebouwde kom een maximale snelheid van 30 km/u.
Vraag 71
B. Bord F1 geldt voor alle motorvoertuigen. Het type motorvoertuig en/of het aantal wielen maakt niet uit.
Vraag 72
A. De snelste en de makkelijkste vluchtweg is het linker zijraam. Bevestig de Life-hammer dusdanig dat je er makkelijk bij kunt komen, zonder dat je druk hoeft uit te oefenen op je veiligheidsgordel (blokkeren van de gordel bij te veel of te snel rekken).
Vraag 73
A. Bij afslaan geef je altijd richting aan. Bij een rotonde ongeveer een kwart voor je deze verlaat, of bij direct verlaten van de rotonde (rechts af slaan) al bij aan komen rijden.
Vraag 74
A. Je gaat van het gas en stuurt rustig uit de berm tot alle wielen weer voldoende grip krijgen. Bij remmen of abrupt sturen vergroot je de kans op slippen en/of verlies je de controle over de auto.
Vraag 75
B. Op het moment dat een voertuig uit je binnenspiegel rijdt én voordat deze weer in je linker buitenspiegel verschijnt, bevindt het voertuig zich in de dode hoek en zul je het voertuig voor een moment niet of nauwelijks zien.
Vraag 76
B. In een erf mag je maximaal slechts 15 km/u rijden. (voorheen stapvoets)
Vraag 77
B. Je houdt de wielen (nog) in de rechtuit stand. Als je van achter aangereden mocht worden, verklein je de kans dat je op de weghelft van de tegenligger terecht komt.
Vraag 78
B. In personenauto's die op alle zitplaatsen gordels hebben, mogen niet méér inzittenden worden vervoerd dan dat er gordels zijn (vanaf 30-09-2000). Heb je dus maar twee gordels op de achterbank, dan mogen er geen drie personen zitten.
Vraag 79
B. Een gehandicapte die een gehandicaptenvoertuig op de rijbaan bestuurt moet de regels van bestuurders volgen. Op het trottoir is de maximum toegestane snelheid 6 km/u. en volgt de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig de regels van voetgangers.
Vraag 80
B. Bord D4: gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven.

Vraag 81 t/m 100Antwoorden
Vraag 81
Dit bord geeft de afstand tot de tunnel aan
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 82 Wat is het grootste nadeel van een te zwaar beladen imperiaal op het dak van de personenauto:
  • A. Een langere remweg.
  • B. Neiging tot kantelen.
Vraag 83 Wat is de beste afstelling van de hoofdsteun in de auto
  • A. Ongeveer het midden van de nek.
  • B. Bovenkant hoofdsteun, bovenkant hoofd.
Vraag 84 De claxon van de auto mag gebruikt worden:
  • A. Ter afwending van gevaar voor jezelf en anderen.
  • B. Voor een onoverzichtelijke kruispunt.
Vraag 85 Als de auto is uitgerust met ABS, voel je bij krachtig remmen:
  • A. Trillingen in het rempedaal..
  • B. Niets, het remmen verloopt niet anders dan normaal.
Vraag 86 Wie moet het voertuig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij is en te overzien:
  • A. Alle bestuurders.
  • B. Alle weggebruikers.
Vraag 87 Wat betekent rijzicht:
  • A. De afstand waarover een bestuurder de weg kan overzien.
  • B. De afstand waarover een bestuurder de weg moet kunnen overzien.
Vraag 88 Het voeren van groot licht tijdens dichte mist geeft meer zicht:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 89 Bij welk stuurkarakter vertoont de auto de neiging om de bocht ruimer te nemen:
  • A. Auto met voorwielaandrijving.
  • B. Auto met achterwielaandrijving.
Vraag 90 Waar vinden de meeste ongevallen plaats:
  • A. Op wegen binnen de bebouwde kom.
  • B. Op wegen buiten de bebouwde kom.
Vraag 91 Welke stuurmethode wordt het meest toegepast:
  • A. De overpakmethode.
  • B. De doorgeefmethode.
Vraag 92 Bij rijden met imperiaal op het dak gebruikt de auto:
  • A. 10 á 15% meer brandstof dan normaal.
  • B. Is het verschil in verbruik niet meetbaar.
Vraag 93 Wat wordt bedoeld met stopafstand:
  • A. Het aantal meters benodigd bij het remmen om tot stilstand te komen.
  • B. De afstand die wordt afgelegd tijdens de reactietijd plus de remafstand.
Vraag 94 Wat wordt onder defensief rijgedrag verstaan:
  • A. Het nauwkeurig aanhouden van je volgafstand en het kort volgen van je voorganger bij file-rijden.
  • B. Je gedrag afstemmen op steeds wisselende verkeerssituaties.
Vraag 95 Met welke zintuigen neem je als bestuurder informatie uit de omgeving op:
  • A. Ogen en oren.
  • B. Ogen, oren, neus, gevoel.
Vraag 96 Wat is polderblindheid:
  • A. Onvoldoende of te laat zicht op kruispunten op polderwegen door begroeiing.
  • B. Vertekening van het gezichtsveld door ontbreken van voldoende achtergrond/afwisseling.
Vraag 97 Wat wordt met Black-spot bedoeld:
  • A. Een kruispunt waar verhoudingsgewijs veel ongelukken plaatsvinden.
  • B. Bewustzijnsvernauwing, waardoor afstanden niet bewust gereden worden.
Vraag 98 Een tram heeft altijd voorrang:
  • A. Ja.
  • B. Nee.
Vraag 99 Gemiddeld mag iemand een ervaren chauffeur genoemd worden:
  • A. Na 3 jaar of 35.000 kilometer.
  • B. Na 7 jaar of 100.000 kilometer.
Vraag 100 De bandenspanning van de auto kan het best gemeten worden:
  • A. In koude toestand.
  • B. In warme toestand ná een rit.

Antwoorden en motivatie vraag 81 tot en met vraag 100
Vraag 81
B. Verkeersbord L13, geeft de lengte van de tunnel aan.
Vraag 82
A. Door extra belading op de auto zal de remweg langer worden.
Vraag 83
B. De beste beveiliging geeft de afstelling: plusminus bovenkant hoofd, bovenkant hoofdsteun.
Vraag 84
A. De claxon mag alleen gebruikt worden ter afwending van gevaar voor jezelf of voor anderen.
Vraag 85
A. Als het ABS bij krachtig remmen in werking treedt, is dit merkbaar door trillingen in het rempedaal.
Vraag 86
A. Bestuurders moeten hun voertuig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij is en te overzien.
B.v.: De weg kan wel vrij zijn, maar niet te overzien (b.v. bij mist).
De weg kan wel te overzien zijn, maar niet vrij (b.v. obstakels, open brug)
Vraag 87
A. De afstand waarover een bestuurder de weg kan overzien is goed vast te stellen. De afstand waarover een bestuurder de weg moeten kunnen overzien is afhankelijk van vele (wisselende) factoren.
Vraag 88
B. Het voeren van groot licht tijdens dichte mist kan tot hinderlijke reflectie en/of verblinding leiden.
Vraag 89
A. Een auto met voorwielaandrijving wordt als het ware de bocht door getrokken, daar waar een auto met achterwielaandrijving de bocht als het ware door geduwd wordt.
Vraag 90
A. De meeste ongevallen vinden plaats op wegen binnen de bebouwde kom. De gevolgen bij ongevallen buiten de bebouwde kom zijn echter wel groter omdat er met hogere snelheden gereden wordt.
Vraag 91
B. De doorgeefmethode voldoet het best en geeft de meeste controle bij rustig sturen. Bij snel of scherp (in)sturen kan de overpakmethode de voorkeur hebben.
Vraag 92
A. Bijna iedere verandering die de stroomlijn van een voertuig beïnvloed, zal een nadelige verandering voor het brandstofverbruik tot gevolg hebben. Dit geldt ook voor (onnodige) stroomverbruikers in en aan de auto.
Vraag 93
B. Voordat je bij remmen gaat handelen, heb je ongeveer 1 seconde reactietijd nodig. Het aantal meters die je aflegt gedurende deze seconde, plus de benodigde meters tijdens de duur van het remmen (de reactieweg), vormen bij elkaar opgeteld de stopafstand.
Vraag 94
B. Defensief rijgedrag is gericht op het voorkomen van ongevallen door een beheerst rijgedrag. Het betekent vooral
zelf fouten vermijden en tijdig reageren op fouten van andere weggebruikers om zo ongevallen te voorkomen.
Vraag 95
B. Met al je zintuigen neem je informatie en belevingen uit de omgeving waar; informatie die je iets kunnen "vertellen".
Vraag 96
B. Door een gebrek aan voldoende aanknopingspunten (referentie) of eenzijdigheid in de omgeving, ben je niet meer in staat afstanden en snelheden juist in te schatten. Denk b.v. aan lange polderwegen en dijken.
Vraag 97
A. Black spot is een verkeersonveilige locatie, waar in verhouding tot andere locaties meer ongevallen plaatsvinden.
Vraag 98
B. Een tram heeft in principe altijd voorrang, tenzij...door verkeersborden, verkeerstekens of aanwijzingen anders is geregeld.
Vraag 99
B. Gemiddeld kan een bestuurder na 7 jaar of 100.000 gereden kilometers ervaren genoemd worden.
Vraag 100
A. Voor zover mogelijk met koude banden, dit houdt in binnen de plusminus 3 gereden kilometer. Warme lucht zet uit, zodat dit van invloed is op de waarde (BAR)

Beoordeling van de vragen voor de theorie

Alhoewel de vragen en antwoorden niet één op één te vergelijken zijn met de vragen die je bij het CBR krijgt voorgelegd, kun je er wel een bepaalde score uit afleiden.

Voor het theorie-examen bij het CBR geldt:

  1. Een onderdeel over gevaarherkenning (25 vragen);
  2. Een onderdeel over verkeersregels (30 vragen);
  3. Een onderdeel over verkeersinzicht / risico's (10 vragen).

Je slaagt voor het theorie-examen als:

  • Je tenminste 13 vragen goed hebt (van de 25) van het onderdeel gevaarherkenning;
  • Je tenminste 35 vragen goed hebt (van de 40) van de onderdelen verkeersregels en verkeersinzicht.

Globaal betekent dit dat je 75 van de 100 bovenstaande vragen goed beantwoord moet hebben voor een positief resultaat.

Lees verder

© 2016 - 2017 Jvd, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Auto theorie examen: tips and tricksAuto theorie examen: tips and tricksWanneer je je autorijbewijs wilt behalen zal je moeten slagen voor het praktijk examen en het theorie examen. In dit art…
Het motorrijbewijsHet motorrijbewijsMotorrijden wordt steeds populairder in Nederland. Motorrijden is een makkelijke en snelle manier om de woon-werk kilome…
Tips om je auto theorie-examen te halenTips om je auto theorie-examen te halenHet auto theorie-examen bestaat uit twee onderdelen: gevaarherkenning en verkeersregels & verkeersinzicht. Samen zijn he…
Theorie-examen online oefenen: de beste websites op een rijTheorie-examen online oefenen: de beste websites op een rijWie binnenkort het theorie-examen voor zijn of haar rijbewijs moet afleggen, kan daar op verschillende manieren voor oef…
Het scooter certificaat. Wat is het?Welke veranderingen heeft het scooter certificaat de afgelopen jaren ondergaan en hoe steekt de toets nu eigenlijk in el…
Bronnen en referenties
  • Autorij-instructie.nl
  • RVV 1990
  • Wegenverkeerswet 1994

Reageer op het artikel "100 vragen voor het theorie-examen voor het rijbewijs"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reacties

S. van Straten, 23-12-2015 11:33 #2
Hallo
ik had 11 punten over 16 vragen bij test 1 maar hoe weet nu of ik geslaagd ben want er staat:
Het theorie examen voor de personenauto bestaat uit drie onderdelen:
Een onderdeel over gevaarherkenning (25 vragen)
Een onderdeel over verkeersregels (30 vragen)
Een onderdeel over verkeersinzicht / risico’s (10 vragen)

Je slaagt voor het theorie-examen als:
je tenminste 13 vragen goed hebt (van de 25) van het onderdeel gevaarherkenning;
je tenminste 35 vragen goed hebt (van de 40) van de onderdelen verkeersregels en verkeersinzicht
oftewel er staat niks in over 16 vragen alleen maar 25, 30, 10,40 maar geen 16 hoe reken ik dit dan uit? Reactie infoteur, 23-12-2015
Beste S,

Niet… de vragen zijn bewust ook niet bedoeld ter vervanging van de vragen bij het CBR, maar om te oefenen/kennis op te doen.
Je zou een aantal tests kunnen doen om een beter beeld te krijgen, ook al volg ik binnen de tests de inhoud niet exact.

Mocht je het willen berekenen, dan kun je het volgende doen.
CBR totaal 65 vragen - 1% is 6.5
CBR totaal minimaal 48 vragen goed = 48 : 6.5 = 73.8%
Test totaal 16 vragen - 1% is 0.16
Test totaal goed 11 : 0.16 = 68.8%
Je zou minimaal goed moeten hebben:
16 vragen x 73.8% = 11.8 vragen
Dit zou betekenen dat je net gezakt bent, alhoewel je mijn testen niet één op één kunt vergelijken met die van het CBR; ze komen qua theorie wel overeen.

Mvg - Sjaak

W. van Nifterick, 03-07-2010 10:04 #1
Het antwoord op vraag H in de test luidt nu:
"De standaardmaten van de glazen verschillen, daardoor is het alcoholpercentage van alle drie de dranken gelijk". Dit is uiteraard niet juist. Het alcoholpercentage van jenever, bier en wjjn is verschillend, maar door de verschillende standaardmaten van de glazen is de hoeveelheid alcohol per glas ongeveer gelijk.
Het alcoholpromillage in het bloed zal na het drinken van een glas bier, jenever of wijn dus ook ongeveer evenveel toenemen.

Infoteur: Jvd
Laatste update: 18-06-2016
Rubriek: Auto en Vervoer
Subrubriek: Verkeer
Special: Verkeerskennis Test
Bronnen en referenties: 3
Reacties: 2
Schrijf mee!